De intrekking van het Nederlanderschap van uitgereisde jihadisten

876

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft in september vorig jaar het Nederlanderschap van vier uitgereisde jihadisten ingetrokken. Dit was de eerste keer dat de minister deze maatregel toepaste sinds de Wet intrekking Nederlanderschap jihadisten is aangenomen. Wat regelt deze wet en wat zijn de gevolgen en knelpunten?

Door Aya Younis

De bestrijding van jihadisme is al geruime tijd prioriteit voor de Nederlandse overheid. Daarom is op 7 februari 2017 de Wet intrekking Nederlanderschap jihadisten aangenomen. Het doel van deze wet is het beschermen van de nationale veiligheid tegen terroristische activiteiten. Daartoe wordt het Nederlanderschap van reeds uitgereisde jihadisten, die zich in het buitenland bij een terroristische organisatie hebben aangesloten, ingetrokken. Naast de intrekking van het Nederlanderschap wacht hen een ongewenstverklaring. Bij terugkeer vormen de jihadisten een gevaar voor Nederland omdat zij mogelijk aanslagen kunnen plegen. De regering ziet deze personen daarom als onmiddellijke bedreiging voor de rechtstaat en beoogt, door middel van de intrekking in combinatie met de ongewenstverklaring, het legale terugkeer te verhinderen en de feitelijke terugkeer van jihadisten te bemoeilijken.

Wanneer kan het Nederlanderschap worden ingetrokken?
Deze nieuwe maatregel is neergelegd in artikel 14 lid 4 Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN). De eerste voorwaarde voor intrekking is dat deze in het belang van de nationale veiligheid dient te geschieden. Verder geldt dat de betrokkene minstens de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, zich buiten het Koninkrijk bevindt en uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie die door de minister is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Tot slot geldt dat de intrekking van het Nederlanderschap niet tot staatloosheid mag leiden.

Wat zijn de feitelijke gevolgen voor de betrokkene?
Deze wet heeft gevolgen voor de personen die door de maatregel worden getroffen omdat met de intrekking en ongewenstverklaring de aan het Nederlanderschap gekoppelde rechten verloren gaan. Onder andere valt te denken aan het recht op toegang tot het Nederlands grondgebied en het vrijelijk reizen en bewegen in het Schengengebied. De betrokkene zou zo zijn familieleden in Nederland en andere EU landen niet meer kunnen bezoeken en zijn gezinsleven niet meer kunnen voortzetten, omdat hij hier geen rechtmatig verblijf meer heeft. De maatregelen en gevolgen zijn aldus ingrijpend voor de betrokkene en raakt zijn privé- en gezinsleven. Er zal daarom een specifieke belangenafweging moeten worden gemaakt tussen de belangen van de jihadist en die van de staat. Welk belang zwaarder weegt zal per intrekkingsbesluit aan de hand van feiten en omstandigheden door rechters moeten worden gewogen en beoordeeld.

Is het strafrecht onvoldoende om jihadisme te bestrijden?
De inzet van het strafrecht (opsporing, vervolging en berechting) is een belangrijk instrument ter bescherming van de nationale veiligheid, toch is deze volgens de regering ontoereikend. Met alleen het strafrecht kan niet worden voorkomen dat een uitreiziger terugkeert naar Nederland, zo stelt de regering. Het zou bezwaarlijk zijn om te wachten met de intrekking totdat betrokkene is teruggekeerd naar Nederland. Met deze wet is gekozen voor toepassing van preventie in plaats van strafrechtelijke vervolging. De Afdeling Advisering van de Raad van State heeft hierover in haar advies over het wetsvoorstel geoordeeld dat de toegevoegde waarde van deze wet ten opzichte van het strafrecht onvoldoende is gemotiveerd. Het is niet duidelijk waarom de regering de bestaande middelen ontoereikend heeft geacht.

Zijn er specifieke groepen die worden geraakt?
Zo op het eerste gezicht lijkt deze wet neutraal geformuleerd te zijn omdat het personen raakt die zich hebben aangesloten bij een ‘terroristische organisatie die op de lijst is geplaatst’. Nu de door de regering opgestelde lijst met terroristische organisaties echter slechts islamitische organisaties treft, lijkt de werkelijkheid minder neutraal te zijn. Feitelijk gezien raakt het dus personen die zich hebben aangesloten bij een ‘islamitische terroristische organisaties’. Op de lijst zijn geen andere (niet-islamitische) terroristische organisaties geplaatst die wel op internationale sanctielijsten staan en mogelijk ook een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Uit statistieken van het CBS blijkt dat 57% van de personen met een dubbele nationaliteit uit de Islamitische wereld afkomstig is.

Verder zou deze wet veelal Marrokkanen kunnen raken omdat uit statistieken van het CBS blijkt dat Turken en Marokkanen de grootste groepen zijn in Nederland die over een dubbele nationaliteit beschikken. Daarnaast heeft ongeveer 45% van het aantal uitgereisde jihadisten een Marokkaanse achtergrond. Noemenswaardig is dat Marokkanen geen afstand kunnen doen van hun Marokkaanse nationaliteit omdat het Marokkaanse rechtssysteem hiertoe geen mogelijkheid biedt.

Direct en indirect onderscheid
Europese lidstaten hebben op grond van artikel 7, derde lid van het Europees Verdrag inzake Nationaliteit (hierna: EVN) de verplichting om staatloosheid te voorkomen. Daarom is in de Wet intrekking Nederlanderschap jihadisten als uitgangspunt genomen dat het Nederlanderschap slechts kan worden ingetrokken indien betrokkene over een dubbele nationaliteit beschikt. Gevolg hiervan is dat er een onderscheid ontstaat tussen Nederlanders met één nationaliteit en Nederlanders met een dubbele nationaliteit. De Nederlanders met een enkele nationaliteit worden niet door deze wet geraakt, ook niet indien hun gedrag de nationale veiligheid ernstig bedreigt. Slechts de Nederlanders met een dubbele nationaliteit zijn vatbaar voor de intrekking. Dit betekent dat er sprake is van direct onderscheid op grond van het hebben van één of meerdere nationaliteiten. Bovendien wordt indirect onderscheid gemaakt op grond van afkomst. Deze wet raakt namelijk slechts de Nederlanders die over een dubbele nationaliteit beschikken en dit zijn veelal de Nederlanders met een buitenlandse afkomst die later het Nederlanderschap hebben verkregen.

Vraagtekens
Het gemaakte onderscheid in de wet intrekking Nederlanderschap jihadisten zou, gelet op bestaande jurisprudentie, wel eens in strijd kunnen zijn met artikel 14 EVRM. De Nederlanders die in Nederland zijn geboren (de autochtone Nederlanders met een enkele nationaliteit) worden bevoordeeld ten opzichte van Nederlanders die de dubbele nationaliteit hebben omdat zij niet door de intrekkingsmaatregel worden geraakt. Deze wet maakt hiermee een onderscheid tussen staatsburgers. Het EHRM heeft in de zaak Biao geoordeeld dat onderscheid tussen staatsburgers met dezelfde nationaliteit, maar met een andere afkomst, indirect etnisch onderscheid is. Onderscheid tussen staatsburgers op grond van afkomst is niet toelaatbaar. Deze wet heeft daarom een negatiever gevolg voor Nederlanders met een buitenlandse afkomst dan voor autochtone Nederlanders. Hierdoor ontstaat ‘tweederangs burgerschap’ op grond van nationale herkomst. Verschillende organisaties, waaronder het College voor de Rechten van de Mens, de Nederlandse Orde van Advocaten en Het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten, hebben aandacht gevraagd voor het onderscheid dat door deze wet ontstaat omdat het een discriminerend effect met zich meebrengt. Of deze wet in overeenstemming is met het EVRM is dus nog de vraag, die door een rechter beantwoord zal moeten worden.