Hebben verwesterde vrouwen recht op asiel?

512

Vandaag heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in drie uitspraken aangegeven wanneer vrouwen met een westerse levensstijl in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel als vluchteling. Hoe werkt dat precies?

Door Hemme Battjes

De zaken
De uitspraken betreffen Afghaanse vrouwen die in Nederland aankwamen in 2012 op 15-jarige leeftijd, respectievelijk in 2010 als 14-jarige, en een Somalische vrouw die in 2010 op 24-jarige leeftijd arriveerde; hiervan bevat de eerstgenoemde uitspraak de meest uitgebreide motivering. Zij stelden dat zij vanwege hun levensstijl, die onder meer naar voren komt in hun manier van doen, in hun kleding en hun opvattingen over de islam, verwesterd zijn. De rechtbank was tot uiteenlopende oordelen gekomen. In de uitspraken bespreekt de Afdeling ook de zienswijzen die UNHCR en de Commissie Strategisch Procederen, waarvan de schrijver van dit blog lid is, hadden ingebracht.

Vervolgingsgronden
Op grond van artikel 29 van de Vreemdelingenwet kan de verblijfsvergunning asiel onder meer worden verleend aan vluchtelingen als gedefinieerd in het Vluchtelingenverdrag. Het Vluchtelingenverdrag bepaalt dat ieder die gegronde vrees heeft om te worden vervolgd om reden van (onder meer) godsdienst, het behoren tot een bijzondere sociale groep of politieke overtuiging, ‘vluchteling’ is. Deze redenen worden wel vervolgingsgronden genoemd. In de Definitierichtlijn is nader uitgewerkt wat deze termen inhouden. In de uitspraken van 21 november 2018 bespreekt de Afdeling achtereenvolgens de vraag of verwestersing valt onder de vervolgingsgronden godsdienst, politieke overtuiging en bijzondere sociale groep. Dat is in de eerste plaats een technische kwestie (onder welke groep valt verwestering), maar uiteindelijk staat dus op het spel of verwestering überhaupt wel onder een vervolgingsgrond valt, en daarmee dus kan leiden tot asielbescherming.

Politieke en godsdienstige overtuiging
De Afdeling oordeelt, anders dan rechtbank Arnhem, dat verwestersing in algemene zin geen godsdienstige of politieke overtuiging is. Daartoe overweegt zij dat het Vluchtelingenverdrag niet dwingt tot asielverlening ‘aan vrouwen met een in Nederland al dan niet door louter tijdsverloop ontwikkelde westerse levensstijl’. Echter, in bijzondere gevallen kan dat anders liggen. Er is wel sprake van een godsdienstige of politieke overtuiging als de westerse kenmerken of gedrag op een godsdienstige of politieke overtuiging zijn gebaseerd, én bijzonder belangrijk zijn om de (godsdienstige) identiteit of morele integriteit te behouden. Dat volgt, aldus de Afdeling, uit een arrest van het Hof van Justitie over vervolging om reden van godsdienst, en uit de omschrijving van de ‘bijzondere sociale groep’ in artikel 10 van de Definitierichtlijn.

Is dus westers gedrag in het algemeen geen uiting van godsdienst of politieke overtuiging, bij wijze van uitzondering kan het dat wel zijn. De Afdeling noemt als voorbeeld een vreemdelinge die aannemelijk maakt dat zij zich heeft afgewend van haar godsdienst en zich ‘juist daarom’ westers gedraagt. De bewijslast daarvoor rust op de vreemdeling.

Bijzondere sociale groep
Als het verwestering in het algemeen geen godsdienstige of politieke overtuiging is, is dan wel de vervolgingsgrond van een bepaalde sociale groep van toepassing? Volgens artikel 10 van de Definitierichtlijn moet een groep aan twee eisen voldoen om een bijzondere (of specifieke) sociale groep te vormen. Ten eerste moeten de leden een gemeenschappelijk kenmerk bezitten dat ofwel niet door hen veranderd kan worden, ofwel dat dermate fundamenteel voor hun identiteit of morele integriteit is dat van hen niet geëist mag worden dat zij dit opgeven. Een voorbeeld van een bijzondere sociale groep zijn homoseksuelen (zie het arrest van het Hof van Justitie X, Y en Z). De groep van verwesterde vrouwen voldoet echter niet aan deze eisen, aldus de Afdeling.

Om tot dit punt te komen weerlegt de Afdeling eerst de stelling dat ‘iedere vrouw uit een niet westers land met een westerse levensstijl een overtuiging heeft ontwikkeld die aan die levensstijl ten grondslag ligt en dat zij wenst op te komen voor haar rechten’. Een westerse levensstijl impliceert immers geen godsdienstige of politieke overtuiging. Uitingen en gedragingen verschillen zodanig dat verwesterde vrouwen geen gemeenschappelijk kenmerk delen. De Afdeling merkt de omstandigheid dat ‘vrouwen zich in Nederland anders gedragen dan van hen wordt verwacht in Afghanistan’ wél aan als gemeenschappelijk kenmerk, maar niet als één dat voor identiteit of integriteit ‘zonder meer’ zo fundamenteel is dat niet mag worden verwacht dat zij deze opgeven. Kortom, verwestering valt niet onder bijzonder sociale groep en de asielbescherming lijkt hiermee uitgesloten te zijn.

Toegedichte vervolgingsgrond
Maar het ligt complexer. Eerder heeft het Hof van Justitie (in het al genoemde arrest X, Y en Z) bepaald dat van homoseksuelen niet gevergd kan worden dat zij hun gerichtheid verbergen, juist omdat die gerichtheid een kenmerk is dat zo fundamenteel is dat niet geëist mag worden dat zij deze opgeven. Van verwesterde vrouwen met een westerse levensstijl (die niet is ingegeven door godsdienst of politieke overtuiging) mag in beginsel wel verwacht worden dat zij zich na terugkeer zullen aanpassen, zoals zij ook na aankomst in Nederland hadden gedaan, aldus de Afdeling. Immers, zij kunnen geen van de vervolgingsgronden inroepen. Onder omstandigheden kan dit toch anders liggen. Volgens artikel 10, tweede lid van de Definitierichtlijn doet namelijk niet ter zake of de vreemdeling daadwerkelijk de godsdienstige, sociale of politieke kenmerken heeft of dat die (ten onrechte) door de actor van vervolging aan haar worden toegeschreven. Als een vrouw stelt dat bepaald gedrag uiterst moeilijk of onmogelijk te veranderen is, dan moet zij aannemelijk maken dat zij dat inderdaad niet kan of dat dat redelijkerwijs niet mag worden verwacht. Slaagt zij daarin, dan komt ze alsnog in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Kortom, verwesterde vrouwen vormen op zich geen bijzondere sociale groep, omdat zij geen gemeenschappelijk kenmerk delen dat zo fundamenteel is voor hun identiteit of integriteit dat opgeven daarvan niet geëist mag worden. Maar als de (westerse) kenmerken niet te veranderen of te verbergen zijn (of als dat niet verwacht mag worden), valt ze toch onder een (toegedichte) vervolgingsgrond.

Uitkomst in de drie zaken
In alle drie de zaken stelt de Afdeling vast dat de ‘huidige levensstijl’ niet is gebaseerd op godsdienstige of politieke overtuiging – daarvoor zijn de uitspraken van de vreemdelingen over de islam te globaal. Het gaat om onder meer deelname aan een jongerenraad in het AZC of verwachte problemen omdat vrouwen in Afghanistan in het openbaar niet kunnen leven zoals een vreemdelinge in Nederland deed. In alle drie de gevallen meende de Afdeling echter ook dat de staatsecretaris ten onrechte niet was ingegaan op de gestelde onmogelijkheid zich volledig aan te passen – onder meer wat betreft de wijze van lopen en van spreken. Mogelijk is dus wel sprake van toegedichte vervolgingsgronden. De staatssecretaris moet zich hierover buigen. Of de vrouwen een verblijfsvergunning zullen krijgen moet dus worden afgewacht.

Vragen
De uitspraak betekent een wijziging in de omgang met asielverzoeken van verwesterde vrouwen. Tot nu toe was het beleid van de staatssecretaris ten aanzien van Afghanistan namelijk dat een westerse levensstijl geen grond voor asielverlening is, omdat deze vrouwen zich zouden kunnen aanpassen. Daarop brengen de uitspraken belangrijke nuanceringen aan. Ook geven de uitspraken in meer algemene zin richting aan de toepassing van de definitie van vluchteling. Tegelijk roepen de uitspraken ook enkele vragen op.

Wat opvalt is dat de Afdeling bij de lezing van de termen godsdienst en politieke overtuiging de omschrijving daarvan in de Definitierichtlijn niet betrekt, maar die van een andere vervolgingsgrond, ‘bijzondere sociale groep’, juist wel. Daarmee gaat de Afdeling onder meer voorbij aan de overweging van rechtbank Arnhem dat het begrip ‘godsdienst’ mede het recht omvat zich niet te conformeren aan religieuze voorschriften. En bij de bespreking van de bijzondere sociale groep betrekt zij mede de vraag wat de motieven of overtuigingen achter de uitingen of gedragingen zijn, terwijl de Definitierichtlijn daar geen aanleiding toe geeft. Impliceert dat dat een kenmerk alleen als ‘fundamenteel’ voor identiteit of morele integriteit kan gelden als er een politieke of godsdienstige overtuiging aan ten grondslag ligt? Dat zou opmerkelijk zijn – voor de bijzondere sociale groep homoseksuelen geldt een dergelijke eis immers wel. Een andere mogelijkheid is dat de overweging over godsdienst en politieke overtuiging bij de bespreking van de bijzondere sociale groep is ingegeven door de interventie van UNHCR. Waarom een westerse levensstijl in Nederland niet voldoende fundamenteel is, blijft onbesproken.

Kern van de uitspraak lijkt daarmee te zijn dat verwestersing op zichzelf geen kenmerk is dat zo fundamenteel is dat aanpassing niet gevergd kan worden. Maar als aanpassing niet kan of redelijkerwijs niet gevergd kan worden, is sprake van een toegedichte vervolgingsgrond. De Afdeling maakt dus een stringent onderscheid tussen een vrouw die verwesterd ‘is’ (namelijk op grond van een godsdienstige of politieke overtuiging) en een vrouw dat niet ‘is’, maar aan wie dat wel wordt toegedicht. Als aanpassing redelijkerwijs niet gevergd kan worden, lijkt echter ook sprake te zijn van een kenmerk dat zo fundamenteel is dat het opgeven niet geëist kan worden – een van de criteria voor het aanmerken van een bijzondere sociale groep. Dat roept de vraag op waarom een vrouw aan wie verwestersing wordt toegeschreven, niet verwesterd ‘is’.