EU-grensdoden

288

In een poging het Italiaanse eiland Lampedusa te bereiken zijn op 3 oktober 2013 meer dan 300 bootmigranten uit Sub-Saharisch Afrika verdronken. Wat gebeurt er aan de Europese buitengrenzen en wie is hiervoor verantwoordelijk?

Door Paolo Cuttitta

Migranten slachtoffers aan de EU-grenzen
In internationale media zijn verschillende berichten verschenen over de bootramp die op 3 oktober 2013 plaatsvond in het Kanaal van Sicilië. Een vissersboot vertrok uit Libië met 518 Somaliërs en Eritreërs aan boord, maar zonk vlak voor de kust van het Italiaanse Lampedusa. Overlevenden meldde dat op minder dan een kilometer afstand van Lampedusa een aantal passagiers een deken in brand stak, om de aandacht van passerende schepen te trekken. De brand breidde zich echter uit, zodat het schip zonk. Slechts 155 mensen konden worden gered. Op 8 oktober 2013 waren al 287 lichamen teruggevonden, terwijl er nog 76 vastzaten in het schip. In totaal 363 slachtoffers, het is hoogste aantal slachtoffers, veroorzaakt door een enkele gebeurtenis, in de Middellandse Zee na de Tweede Wereldoorlog.

Toch is dit geen eenmalige gebeurtenis geweest. In het recente verleden vonden al duizenden migranten de dood aan de EU-grenzen. De organisatie United for Intercultural Action heeft in de afgelopen twintig jaar meer dan 17.000 slachtoffers geregistreerd. Hoewel de Italiaanse autoriteiten vele duizenden migranten wisten te redden, zijn sinds 1994 bijna 7.000 migranten gestorven in het Kanaal van Sicilië. Momenteel voert de Migratierechtsectie van de VU onderzoek uit naar het beleid inzake grenscontroles en grensdoden. Het onderzoek is mede gericht op het verzamelen van betrouwbare gegevens over het aantal slachtoffers.

Migratiecontrole over het Kanaal van Sicilië
Italië voerde in 1990 de eerste immigratiewet in, waarmee een visumplicht ontstond voor onderdanen uit Noord-Afrika en de landen ten zuiden van de Sahara. Vanaf dat moment is het Kanaal van Sicilië in toenemende mate geworden tot een strikte buitengrens van Europa. Voor buitenlandse arbeidskrachten zijn de criteria voor toelating erg strikt en ook voor vluchtelingen zijn er vanuit Noord-Afrika en landen ten zuiden van Sahara geen effectieve kanalen om op legale wijze Europa binnen te komen. Daarom blijft, naast de mogelijkheid van illegale overschrijding van de landsgrenzen, voor veel mensen de reis per zee de enige manier om Italië te bereiken.

De eerste migranten kwamen aan op Lampedusa in begin 1990. Het aantal steeg echter snel nadat Italië in 1998 sancties introduceerde tegen vervoerders, die onjuist gedocumenteerde passagiers vervoerden. Daardoor werd het minder aantrekkelijk bootvluchtelingen te redden en naar Italië te brengen aangezien dit als ‘vervoer van illegalen’ kan worden uitgelegd. Italië tekende in hetzelfde jaar ook de eerste overeenkomst inzake overname en politiële samenwerking met Tunesië en startte onderhandelingen met Libië. Sindsdien is de samenwerking van Noord-Afrikaanse partners bij de aanpak van illegale migratie toegenomen. Naast staten zijn ook niet-statelijke actoren steeds meer betrokken bij de migratiecontroles in Noord-Afrika. Internationale organisaties, zoals de Internationale Organisatie voor Migratie, voeren al sinds lange tijd onderzoeken uit die gericht zijn op de terugkeer van migranten naar hun thuisland: de opleiding van grenswachten, het verstrekken van technologische apparatuur en het voorkomen dat potentiële migranten naar Europa vertrekken. Deze onderzoeken worden gefinancierd door zowel Italië als de EU. Ook een particuliere onderneming, het Italiaanse Finmeccanica, is een nieuw systeem van toezicht op Libische landgrenzen aan het opzetten.

Het oversteken van de Middellandse Zee is hierdoor steeds moeilijker, duurder en gevaarlijker geworden. In de perioden 2004-2006 en 2009-2010 hebben de Italiaanse autoriteiten migranten onderschept en gedwongen uitgezet naar Libië. In 2012 oordeelde Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat deze gedwongen uitzettingen onrechtmatig waren. Het betrof een zaak van 24 Eritrese en Somalische migranten, die in 2009 op zee waren onderschept en naar Libië uitgezet. Het EHRM oordeelde dat Italië artikel 3 (verbod van onmenselijke of vernederende behandeling), artikel 4 van Protocol 4 (verbod op collectieve uitzetting) en artikel 13 (recht op daadwerkelijk rechtsmiddel) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens had geschonden. Sindsdien voeren de Italiaanse autoriteiten geen rechtstreekse ‘pushback operaties’ meer uit. Wel probeerde de huidige regering onlangs om de terugkeer naar Libië “uit te besteden” aan commerciële schepen die betrokken zijn bij reddingsoperaties. Toen vorig jaar augustus aan de tanker Salamis werd gevraagd om 102 boot migranten te redden, die zij op 40 kilometer van de Libische kust hadden waargenomen, werd door de Italiaanse autoriteiten gezegd dat de migranten naar de dichtstbijzijnde Libische haven moesten worden gebracht. Doordat de kapitein weigerde de migranten terug te brengen naar Libië, werd de Salamis gedwongen om drie dagen te wachten voordat Italië besloot om het schip zijn territoriale wateren te laten binnenvaren en de migranten in Siracusa te laten uitstappen.

De omvang van de illegale migratie over zee
In 2013 bereikten ongeveer 30.000 bootmigranten de Italiaanse kusten. Lampedusa is nog steeds de belangrijkste aanlegplaats (in de afgelopen tien jaar arriveerden er ruim 150.000 migranten). Door het conflict in Syrië is het aantal mensen dat arriveert in het zuid-oosten van Sicilië en Calabrië aanzienlijk toegenomen. Volgens schattingen van het Italiaanse ministerie van Binnenlandse Zaken, maken de migranten die Italië illegaal per zee bereiken een klein percentage uit van de totale illegale migratie in Italië (tussen de 4 % en 17 % in de periode 2000-2006). Het grootste deel van de ongedocumenteerde bewoners zijn personen die de landsgrenzen (en niet de zeegrenzen) illegaal zijn overgestoken of (in een veel grotere mate) personen die het Italiaanse grondgebied met een geldig visum zijn binnengekomen, en vervolgens de vervaldatum hebben overschreden. Ramingen van de Europese Commissie bevestigen dat illegale toegang via zee geen grote rol speelt op EU-niveau aangezien “het waarschijnlijk is dat meer dan de helft van de illegale immigranten de EU legaal binnenkomen, maar vanwege het overschrijden van hun verblijfsrecht illegaal worden”.

Reddingsverplichtingen
De Italiaanse autoriteiten hebben vaker vissers en internationale humanitaire organisaties (zoals de Duitse Cap Anamur in 2004) vervolgd voor het oppikken van bootmigranten in het Kanaal van Sicilië. Hoewel de beschuldigden altijd werden vrijgesproken van alle aanklachten, verzoorzaakten de langdurige processen en de inbeslagname van de schepen wel economische en immateriële schade. Ook commerciële schepen die betrokken waren bij reddingsoperaties op volle zee werden vaak geconfronteerd met de weigering van de kuststaten om migranten te accepteren. Zo moest het Turkse vrachtschip Pinar in 2009 drie dagen wachten voordat Italië de 140 opgevangen schipbreukelingen wilde opnemen. Dergelijke voorvallen hebben ernstige economische gevolgen voor de betrokken rederijen.

De angst voor financiële verliezen en eventuele juridische gevolgen, kunnen redenen zijn voor het nalaten van de verplichting om mensenlevens te redden. Migranten hebben vaker gemeld dat vissersboten en vrachtschepen hen negeerden terwijl ze in nood verkeerden. In december 2007 werd een Italiaanse visser vastgehouden op het eiland onder beschuldiging van moord. Hij had een migrant terug het water in geduwd, nadat deze aan boord was geklommen en om hulp had gevraagd. Ook nationale en internationale overheden hebben in noodgevallen niet altijd opgetreden. In 2011 zijn tijdens de Libische oorlog 63 migranten overleden nadat NAVO-helikopters en marineschepen weigerden om hen te helpen. De Raad van Europa hield in een rapport niet alleen de NAVO, maar ook de Italiaanse en Maltese autoriteiten verantwoordelijk voor de slachtoffers.

Versterking van de controles of het openen van een humanitaire corridor
In reactie op de bootvluchtelingen ziet men twee tegengestelde opvattingen voor een aanpak van het probleem. De Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken Angelino Alfano heeft aangekondigd dat Italië de EU zal vragen om wijziging van de Dublin-verordening, waarin staat dat de verantwoordelijkheid voor de bescherming van asielzoekers ligt bij de lidstaat waar de asielzoeker als eerst is binnengekomen. Deze Europese regels leggen een grote druk op landen als Italië, Griekenland, Malta, Spanje en Cyprus, die dan ook stellen dat de verantwoordelijkheid eerlijker moet worden gedeeld. Alfano benadrukte eveneens de noodzaak om de grenscontroles te versterken in Noord-Afrika, door middel van een grotere betrokkenheid van de EU-instellingen en doorvoerlanden, om vertrek naar Europa te stoppen.

Rosario Crocetta, gouverneur van Sicilië, betoogt daarentegen dat het restrictieve Europese en Italiaanse migratiebeleid de oorzaak van sterfgevallen op zee is, en dat Europa zou moeten nadenken over hoe we de vluchtelingen veilig laten aankomen, in plaats van tevergeefs proberen te voorkomen dat ze vertrekken. Ook Giusi Nicolini, de burgemeester van Lampedusa, meent dat een humanitaire doorgang moet worden geboden aan de migranten. Zij stelt dat de wetgeving inzake het faciliteren van illegale immigratie moet worden versoepeld. In november 2012 heeft zij een open brief aan de EU gestuurd, waarin zij klaagt over de onverschilligheid van de Italiaanse en Europese instellingen ten opzichte van de slachtoffers op zee. Nicolini heeft de autoriteiten verzocht om een ​​humanitaire corridor te openen voor vluchtelingen om veilig te worden overgebracht naar Europa. Een petitie aan Italiaanse en Europese instellingen is inmiddels geopend.