Het recht op gezinsleven I: het EVRM

1376

Gezinsmigratie wordt gereguleerd door nationale en internationale regels. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens speelt hierin een belangrijke rol. Onder welke voorwaarden is gezinshereniging mogelijk en kunnen gezinsleden van elkaar worden gescheiden?

Door Nadia Ismaili

De Correspondent 14 november 2013 ‘Hebben immigranten recht op een gezinsleven?’

Wat is gezinshereniging?
Gezinsmigratie is een belangrijke bron van immigratie in Europa en wordt beheerst door een ingewikkeld pakket aan regels. Naast specifieke Nederlandse regels, zijn er twee verschillende Europese regimes van toepassing: die van het EU-recht en die het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het nationale recht en het EVRM staan in dit blog centraal. De EU-regels passeren slechts rakelings de revue, daarover meer in het blog ‘Het recht op gezinsleven II: de EU’.

Binnen het recht op gezinshereniging zijn er twee verschillende regimes: het reguliere gezinsherenigingsbeleid en het nareisbeleid. In het navolgende zal eerst uitvoerig het gezinsherenigingsbeleid (nationaal regels en artikel 8 EVRM) worden besproken. Daarna nog kort wat over het nareisbeleid.

Het reguliere gezinsherenigingsbeleid: de mvv
Vreemdelingen die naar Nederland willen komen voor een verblijf bij een partner, hebben een zogeheten machtiging tot voorlopig verblijf nodig. Een mvv kan worden aangevraagd bij de Nederlandse ambassade of consulaat in het land van herkomst. Niet alle landen hebben zo’n diplomatieke post, dit betekent dat in sommige gevallen een mvv-aanvraag ergens anders in de regio gedaan zal moeten worden. Zo zal iemand uit Eritrea naar Sudan, en zal iemand uit Ecuador naar Peru moeten reizen.

Om in aanmerking te komen voor een mvv, moeten vreemdelingen voldoen aan bepaalde voorwaarden. Zo moeten beide partners in ieder geval 21 jaar zijn. Verder moet de vreemdeling in het bezit zijn van een geldig paspoort of document voor grensoverschrijding. Daarnaast moet de partner van de vreemdeling beschikken over voldoende en duurzame middelen van bestaan. Dit betekent een salaris dat ten minste gelijk is aan het minimumloon. Daarbij moet dit inkomen op het moment van de aanvraag nog minstens één jaar beschikbaar zijn. Verder moet de vreemdeling voor zijn komst naar Nederland, over voldoende kennis beschikken van de Nederlandse taal en maatschappij. Dit moet blijken uit het behalen van het inburgeringsexamen op de Nederlandse ambassade in het land van herkomst. Ook kan een verblijfsvergunning worden afgewezen wegens een gevaar voor de openbare orde.

Het komt regelmatig voor dat niet aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, met als gevolg dat partners van elkaar worden gescheiden of ze niet worden herenigd.

Internationale bescherming van het recht op gezinsleven: artikel 8 EVRM
Wanneer niet is voldaan aan de specifieke nationale voorwaarden, kan in sommige gevallen bescherming worden ontleend aan artikel 8 EVRM. Als een succesvol beroep op artikel 8 EVRM inderdaad mogelijk is wordt de vreemdeling vrijgesteld van de mvv-verplichting.

Het Europese Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) heeft artikel 8 EVRM in zijn rechtspraak zo uitgelegd dat een lidstaat altijd het recht behoudt om immigratie zelf te reguleren. Artikel 8 EVRM legt geen algemene verplichting op aan lidstaten om de keuze van de verblijfplaats van echtparen te eerbiedigen of om gezinshereniging op hun grondgebied toe te laten. Artikel 8 houdt dus geen absoluut recht op gezinsleven in. De lidstaten dienen echter wel het algemene belang van de staat om immigratie te controleren af te wegen tegen de belangen van het individu bij het uitoefenen van gezinsleven (de zogenaamde proportionaliteitstoets). Bij deze afweging komt aan de lidstaten beoordelingsruimte toe (ook wel de margin of appreciation genoemd).

Algemeen belang van de staat om immigratie te controleren
Er zijn verschillende belangen die in deze belangenafweging moeten worden betrokken. Bij het algemene belang van de lidstaat kan worden gedacht aan bescherming van de publieke middelen en sociale zekerheid, het tegengaan van fraude en misbruik, de bescherming van de openbare orde, maar ook de verantwoordelijkheid van vreemdelingen voor hun integratie en emancipatie. Deze belangen zijn ook te herkennen in de Nederlandse gezinsherenigingsregels.

Belangen van het individu bij het uitoefenen van gezinsleven
Welke belangen van de vreemdeling in een bepaalde zaak worden meegenomen, hangt af van de feitelijke situatie in een concreet geval. De individuele belangen kunnen per zaak verschillen. Toch zijn er wel factoren waar in de belangenafweging in het algemeen rekening mee dient te worden gehouden. Denk bijvoorbeeld aan:

–       de aard en de hechtheid van de gezinsband (bijvoorbeeld wel of niet samenwonend, of de duur van het huwelijk);
–       de vraag of de gezinsband is aangevangen op het moment dat de gezinsleden wisten dat de verblijfsstatus van de vreemdeling onzeker was;
–       hoe lang de vreemdeling in Nederland is;
–       de banden van de gezinsleden met zowel Nederland als het land van herkomst (familie- culturele of sociale banden);
–       de vraag of er kinderen zijn en zo ja, van welke leeftijd;
–       de nationaliteit van de gezinsleden;
–       de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin als geen gezinshereniging plaatsvindt: zijn er objectieve belemmeringen bij het uitoefenen van gezinsleven in het land van herkomst?

Dit lijstje is allerminst uitputtend. De belangenafweging tussen het belang van de staat en dat van de gezinsleden kan in iedere zaak anders uitvallen. Wanneer de nationale autoriteiten en het EHRM oordelen dat het belang van de staat dient te prevaleren boven het belang van de vreemdeling kan het voorkomen dat gezinsleden van elkaar worden gescheiden. Ook het internationale recht biedt voor partners die graag samen willen leven in Nederland dus zeker niet altijd uitkomst.

Het nareisbeleid
Naast dit algemene gezinsherenigingsbeleid bestaan er specifieke regels voor nareizende gezinsleden van asielzoekers. Voor in Nederland toegelaten asielzoekers wordt erkend dat er een objectieve belemmering is om terug te keren naar het land van herkomst om daar gezinsleven uit te oefenen. Deze erkenning komt tot uiting in het nareisbeleid. Nareis is, in vergelijking met het reguliere gezinsherenigingsbeleid, een relatief soepele vorm van gezinshereniging. Van de asielstatushouder wordt niet verwacht dat hij een minimum inkomen verdient, of voldoet aan andere eisen die in het reguliere gezinsherenigingsbeleid gelden. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsrecht op grond van het nareisbeleid moet wel aan een drietal voorwaarden worden voldaan: de vreemdeling moet feitelijk behoren tot het gezin van de asielstatushouder in Nederland, hij moet dezelfde nationaliteit hebben als de asielstatushouder en de aanvraag indienen binnen 3 maanden nadat de asielvergunning is verleend. De eis dat de gezinsleden dezelfde nationaliteit dienen te hebben komt overigens te vervallen, er ligt hiervoor momenteel een wetsvoorstel bij de Eerste Kamer.

Voor meer over nareis zie het eerdere blog Nareizende kinderen van vluchtelingen.