Belangrijke uitspraak: grens aan intieme vragen homoseksuele asielzoeker

605

In het arrest A, B en C van 2 december 2014 stelt het Hof van Justitie grenzen aan wat asielautoriteiten aan een asielzoeker mogen vragen om te beoordelen of hij homoseksueel is. Fysieke tests en video’s van seksuele handelingen mogen niet, het stellen van stereotiepe vragen mag wel.

Door Hemme Battjes

Geloofwaardigheid
Nadat het Hof van Justitie zich vorig jaar uitsprak over de vraag of homoseksuele asielzoekers hun seksuele gerichtheid geheim moeten houden als ze daarmee gevaar kunnen ontlopen (zie Asiel voor homoseksuelen: belangrijke uitspraak), is er nu wederom een uitspraak van het Hof over homoseksuele asielzoekers. Deze keer gaat het over de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Een kwestie waar meerdere lidstaten mee worstelen is hoe vast te stellen of een asielzoeker homoseksueel is. Gewoonlijk moeten asielzoekers hun aanvraag onderbouwen met bewijs (zoals documenten of foto’s), en met een geloofwaardig verhaal (“relaas”). Of dat relaas geloofwaardig is wordt vastgesteld door gedetailleerde vragen te stellen, te bezien of de antwoorden op die vragen consistent zijn en of zij overeenkomen met wat bekend is over vergelijkbare situaties in het land van herkomst van de asielzoeker. Bij homoseksualiteit ligt dit ingewikkeld, omdat dit in strijd kan komen met het recht op privacy van de asielzoeker. Zoals bijvoorbeeld wanneer een antwoord wordt geëist op gedetailleerde vragen over iemands seksleven of intieme foto’s of video’s als bewijsmateriaal wordt gebruikt .

De asielzoekers in A, B en C stelden alle drie homoseksueel te zijn, maar werden niet geloofd door de Nederlandse asielautoriteiten. A stelde daarop bereid te zijn een “test” te ondergaan, C legde een video over waarop hij “intieme handelingen” verricht met iemand van hetzelfde geslacht, en B ten slotte stelde dat van hem helemaal niks gevergd kon worden – de autoriteiten moesten hem op zijn woord te geloven. Daarop stelde de hoogste Nederlandse asielrechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het Hof van Justitie de vraag welke grenzen Europese Richtlijnen, en vooral het Handvest van Grondrechten, aan de beoordeling van die geloofwaardigheid stelt.

Enkele stelling niet voldoende
In paragraaf 49 van het arrest veegt het Hof om te beginnen de visie van B van tafel. De enkele stelling dat de asielzoeker homoseksueel is, is niet voldoende. De mededeling dat iemand homoseksueel is, is een uitgangspunt, dat nader geverifieerd mag worden middels ondervragingen.

Stereotiepe vragen
Het Hof geeft vervolgens aan wat wel en niet mag bij die ondervragingen. Vragen over “stereotiepe opvattingen” kunnen “nuttig” zijn (paragraaf 62). Een correct antwoord op een stereotiepe vraag telt in het voordeel van de asielzoeker, en een slecht antwoord is niet voldoende om hem ongeloofwaardig te vinden – alle persoonlijke omstandigheden moeten worden meegenomen. Het is niet helemaal duidelijk wat voor stereotypen het Hof precies op het oog heeft. Het noemt zelf in deze context kennis van de asielzoeker over belangenverenigingen van homoseksuelen (paragraaf 60) – de IND kan dus in elk geval vragen of de asielzoeker het COC in zijn land van herkomst kent. Maar mag de IND ook vragen hoeveel vriendjes iemand heeft gehad – dus uitgaan van het stereotype van de promiscue homoseksueel? Het is kwestieus of zulke vragen kunnen bijdragen aan waarheidsvinding.

Tests en video’s
Het Hof geeft verder aan dat het recht op privacy het verbiedt te vragen naar ’details van de wijze waarop de asielzoeker praktisch invulling geeft aan zijn seksuele gerichtheid’ (paragraaf 64) . Details over het seksleven (de Engelse versie van het arrest heeft het over “sexual practices”) moeten dus buiten beschouwing blijven. En bewijs in de vorm van een test (zoals bijvoorbeeld fallometrie, die in Tsjechië wel wordt toegepast) of een video-opname mogen de lidstaten niet alleen niet vergen, maar ook niet aanvaarden als een asielzoeker daarmee komt. Dat bewijs is in strijd met het recht op respect voor de menselijke waardigheid. Een vrijwillig aangeboden video wel aanvaarden kan ertoe leiden dat asielzoekers zich genoodzaakt zien tegen hun wil dergelijk materiaal te produceren, aldus het Hof. Het is niet duidelijk waarom het Hof deze redenering niet ook gebruikt bij de stereotiepe vragen.  Het Hof vindt het kennelijk minder problematisch dat asielzoekers zich, in reactie op de wél toegestane stereotiepe vragen, genoodzaakt voelen stereotiepe antwoorden te geven.

Met deze uitwerking van het recht op privacy en de menselijke waardigheid stelt het Hof een duidelijke grens. Opmerkelijk is overigens wel dat een video volgens het Hof niet noodzakelijkerwijs bewijswaarde heeft (paragraaf 65)– homo-seks bewijst dus niet dat iemand een echte homo is. Wat dan wel bewijst dat iemand homo is, vermeldt het Hof niet.

Homoseksualiteit niet meteen genoemd
Ten slotte geeft het Hof nog aan dat als de asielzoeker niet bij de “eerste gelegenheid” gewag maakt van zijn gerichtheid, dat niet voldoende is om hem ongeloofwaardig te achten. Seksualiteit is een gevoelig onderwerp, en dus kan het heel goed verklaarbaar zijn dat iemand er niet direct mee komt. De implicaties van deze bevinding van het Hof kunnen groot zijn. Een van de drie asielzoekers in deze zaak, C, had in een eerste aanvraag niets gezegd over zijn gerichtheid, en in de tweede gesteld vervolging te vrezen vanwege zijn homoseksualiteit. Als een asielzoeker in de tweede aanvraag iets aanvoert dat hij ook eerder had kunnen aanvoeren, hoeft daarop volgens vaste Nederlandse rechtspraak niet te worden ingegaan. Met deze uitspraak in de hand zou je kunnen stellen dat dat te kort door de bocht is: het kan zijn dat de asielzoeker aanvoert dat hij zijn schroom om over zijn seksuele gerichtheid te spreken pas na een tijdje in Nederland te hebben verbleven heeft overwonnen. Het tweede asielverzoek mag dan niet alleen maar omdat hij die gerichtheid niet meteen noemde, worden afgewezen. Maar een andere interpretatie is eveneens denkbaar. Er kan ook worden gesteld dat het Hof zich in deze zaak alleen uitlaat over de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Daaraan komt de rechter volgens de genoemde vaste rechtspraak bij de tweede aanvraag niet toe omdat hij zijn homoseksuele gerichtheid niet al in de eerste aanvraag aanvoerde. Dan speelt de geloofwaardigheidsbeoordeling in de tweede aanvraag geen rol en heeft deze uitspraak van het Hof geen effect voor herhaalde aanvragen.

Conclusie
Alles overziend brengt het arrest een belangrijke verduidelijking: het verbiedt tests en video-opnames om homoseksualiteit te bewijzen. Ook maakt het Hof duidelijk dat vragen over details van het seksuele leven van asielzoekers tot het verleden moeten behoren. Maar er blijft ook veel onduidelijk. Wanneer zijn stereotiepe vraagstellingen precies toegestaan? Zijn niet-gedetailleerde vragen over het seksleven toelaatbaar? En een belangrijke vraag die open blijft is of de enkele omstandigheid dat niet meteen gewag is gemaakt van de gerichtheid voldoende is om te concluderen dat de asielzoeker ongeloofwaardig is. Wat dat betekent voor herhaalde aanvragen is niet duidelijk.