Nederland had asielverzoek Charles Taylor moeten behandelen

530

In 2013 werd de voormalige Liberiaanse rebellenleider en president Charles Taylor veroordeeld tot vijftig jaar gevangenisstraf in het Verenigd Koninkrijk. Nederland weigerde in te gaan op zijn asielverzoek op grond van een vermeend risico op mishandeling in de Britse gevangenis. Onlangs deed de Raad van State uitspraak: had Nederland zijn asielverzoek in behandeling moeten nemen?

Door Hemme Battjes

De zaak Taylor
De voormalige Liberiaanse rebellenleider en president Charles Taylor werd in 2013 veroordeeld tot vijftig jaar gevangenisstraf wegens onder meer terroristische daden, moord en verkrachting door het in Den Haag gevestigde “Special Court for Sierra Leone”. Die straf moest hij uitzitten in het Verenigd Koninkrijk. Op weg naar het Verenigd Koninkrijk vroeg Taylor op Rotterdam The Hague Airport asiel aan in Nederland. Als reden voerde Taylor aan dat hij in de Britse gevangenis het risico zou lopen mishandeld te worden. De Nederlandse autoriteiten weigerden op het verzoek in te gaan, omdat het Sierra Leone-Hof zeggenschap had over de overdracht naar het Verenigd Koninkrijk, niet Nederland. De overdracht werd dan ook uitgevoerd. In de juridische procedure die nog wel volgde in Nederland deed de hoogste Nederlandse rechter, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, op 2 juli uitspraak. Daarin waren drie vragen aan de orde. Had Nederland het asielverzoek in behandeling moeten nemen? Bevond Taylor zich in Nederlandse rechtsmacht? En liep hij nu wel of geen risico op mishandeling in de Britse gevangenis?

Was het verzoek van Taylor een asielverzoek?
Eerder had de Afdeling al uitgemaakt dat een tegenover de autoriteiten geuit beroep op asiel of bescherming, hoe ook verwoord, als asielverzoek geldt. Vanaf dat moment zijn allerlei wettelijke en verdragsbepalingen van toepassing, zoals het verbod om uit te zetten tot op de asielaanvraag is beslist. In de zaak van Taylor stelde de staatsecretaris echter dat het verzoek was gericht aan Nederlandse ambtenaren die niks anders deden dan een opdracht van het Sierra Leone-Hof uitvoeren. Die ambtenaren waren dan ook geen ambtenaren van Nederland, maar van het Hof, aldus de staatssecretaris (zie de rechtbankuitspraak). De rechtbank en de Afdeling zien dat anders. Taylor had gevraagd wie van de hem begeleidende personen de Nederlandse regering vertegenwoordigde. Daarop was een van hen naar voren gestapt en had gezegd: “I do”. Daar mocht Taylor op af gaan, en het ten overstaan van die persoon geuite verzoek was dan ook een asielverzoek.

Overigens lijkt de Franse president een nog bredere definitie te hanteren van wat als een asielverzoek mag gelden. Julian Assange, die sinds 2012 toevlucht heeft in de Ecuadoriaanse ambassade in Londen, diende op 3 juli een asielverzoek in per ingezonden brief in de krant Le Monde. De afwikkeling van het asielverzoek bevat de nodige strijdigheden met Europees recht. De Franse president gaf later die dag een verklaring uit waarin hij stelde het asielverzoek „na uitgebreide bestudering” niet in te willigen — onder meer omdat er een Europees Arrestatiebevel tegen Assange is uitgevaardigd.

Had Nederland rechtsmacht over Taylor?
De staatsecretaris stelde verder dat Nederland geen rechtsmacht had over Taylor. Op grond van het EVRM en andere verdragen had Nederland weliswaar moeten onderzoeken of de overdracht aan het Verenigd Koninkrijk niet strijdig was met die verdragen. Aan de andere kant was het op grond van een VN-resolutie gehouden alle medewerking te verlenen aan het Hof dat juist verplichtte tot overdracht. En artikel 103 van het Handvest van de Verenigde Naties bepaalt dat bij een conflict de VN-verplichtingen voorgaan. Nederland moest dus overdragen en mocht helemaal niet onderzoeken of na overdracht mishandeling dreigde, aldus de staatssecretaris. De Afdeling constateert dat het zo eenvoudig niet ligt. Het Sierra Leone-Hof had rechtsmacht over onder meer de detentie en berechting van Taylor. Dat betekent dat een Nederlandse rechter zolang het strafproces liep bijvoorbeeld niet bevoegd was Taylors vrijlating te bevelen. Maar de rechtsmacht over beoordeling van het risico op mishandeling na uitzetting is niet aan het Sierra Leone Hof overgedragen. En de vraag naar voorrang van de VN-resolutie komt niet in beeld, aldus de Afdeling. We mogen er immers van uitgaan dat de VN bij het opleggen van verplichtingen niet beoogt dat mensenrechten worden genegeerd. De VN-resolutie verzet zich er dan ook niet tegen dat Nederland het asielverzoek onderzoekt. En mocht Nederland tot de conclusie komen dat overdracht in strijd is met artikel 3 EVRM, dan betekent dat nog niet dat Nederland de resolutie moet schenden door Taylors overdracht achterwege te laten. Nederland zou immers ook nadere voorwaarden voor de detentie in het Verenigd Koninkrijk kunnen bedingen, die garanderen dat er geen schending van artikel 3 EVRM plaatsvindt.

Is er risico op mishandeling in de Britse gevangenis?
De staatsecretaris had dus, alvorens Taylor over te dragen, moeten onderzoeken of mishandeling van Taylor in de Britse gevangenis dreigde. De Afdeling verricht in diens plaats dat onderzoek en is daar gauw klaar mee. In beginsel mag erop vertrouwd worden dat een andere staat die partij is bij het EVRM de verplichtingen uit dat verdrag naleeft. En Taylor heeft geenszins aannemelijk gemaakt dat het Verenigd Koninkrijk artikel 3 EVRM ten aanzien van hem zou schenden.

Besluit
Omdat er geen risico op mishandeling in de Britse gevangenis is, ziet de Afdeling geen grond om de staatssecretaris te verplichten Taylor terug te geleiden naar Nederland om hier een asielprocedure te voeren, zoals Taylor had geëist. Voor Taylor verandert er met deze uitspraak derhalve niets. Toch is de uitspraak belangrijk, en wel als precedent. Ook als de Nederlandse autoriteiten ter uitvoering van beslissingen van een internationaal hof een vreemdeling willen verwijderen, moeten zij een asielverzoek in behandeling nemen. In een toekomstig geval kan dan blijken dat er wel degelijk mishandeling dreigt.