Hebben asielzoekers recht op een bed?

927

Op 16 augustus jl. berichtte NRC dat door personeelstekort in het aanmeldcentrum in Ter Apel, asielzoekers soms niet op tijd worden geregistreerd en de nacht moeten doorbrengen op een stoel of op de grond in een wachtruimte. Is dat in strijd met Europees recht? 

Door Lieneke Slingenberg

Omdat het aantal asielzoekers in Nederland tijdens de ‘intelligente lockdown’ enorm daalde, werd er minder personeel ingezet voor de registratie van nieuwe asielzoekers. Nu er sinds juni weer meer mensen asiel aanvragen in Nederland, wordt hun asielaanvraag soms niet geregistreerd op de dag van aankomst en moeten zij de nacht doorbrengen in een kale wachtruimte, met alleen klapstoeltjes, een waterpunt en een toilet, aldus berichtgeving in NRC. Handelt Nederland daarmee in strijd met de verplichtingen onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) of Unierecht?

Onmenselijke of vernederende behandeling?

De relevante norm uit het EVRM is artikel 3, dat een verbod op onmenselijke of vernederende behandeling bevat. Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan worden afgeleid dat de situatie van asielzoekers die één nacht zonder bed moeten doorbrengen niet zal worden gekwalificeerd als in strijd met dit verbod.

In 2006 diende meneer Ndikumana een klacht in bij het EHRM vanwege schending door Nederland van artikel 3 EVRM omdat hij geen recht had op opvang. De Nederlandse autoriteiten hadden geoordeeld dat niet zij, maar de Duitse autoriteiten verantwoordelijk waren voor de behandeling van zijn asielverzoek. In die tijd had een asielzoeker in een dergelijke situatie in Nederland geen recht op opvang. Het Hof oordeelde in 2014(!) dat zijn klacht kennelijk ongegrond was, onder meer omdat hij na twee dagen en nachten wachten bij de poort van een aanmeldcentrum, toch toegang tot dat centrum had gekregen.

De meer recente uitspraak van het Hof in N.H. en anderen tegen Frankrijk gaat ook over asielzoekers die zich niet konden registeren en daarom geen opvangvoorzieningen kregen. Met betrekking tot N.H., K.T. en A.J. oordeelde het Hof dat artikel 3 EVRM was geschonden. Deze drie asielzoekers hadden meer dan 90 dagen moeten wachten voordat hun asielaanvraag werd geregistreerd, en nog langer voordat ze opvangvoorzieningen kregen. Met betrekking tot S.G. oordeelde het Hof echter dat artikel 3 EVRM niet was geschonden. Zijn asielaanvraag werd na 28 dagen geregistreerd en na 63 dagen ontving hij de financiële toelage bedoeld voor asielzoekers.

In het licht van deze uitspraken kan worden geconcludeerd dat het EHRM de situatie van asielzoekers die één nacht moeten doorbrengen zonder bed of matras niet snel zal beoordelen als in strijd met het verbod van onmenselijke of vernederende behandeling.

Een levensstandaard die bestaansmiddelen garandeert en de fysieke en geestelijke gezondheid beschermt?

De verplichtingen van Nederland onder het Unierecht gaan echter verder dan de verplichtingen voortvloeiend uit het EVRM. Artikel 6 van de Europese Procedurerichtlijn schrijft voor dat asielverzoeken binnen drie werkdagen moeten worden geregistreerd. Als het asielverzoek wordt gedaan bij een autoriteit die niet bevoegd is voor de behandeling van het verzoek, zoals een grenswachter, een personeelslid van een opvangcentrum of een rechter, dan is die termijn zes werkdagen. In zo’n geval moet die andere autoriteit het asielverzoek zo snel mogelijk doorsturen naar de bevoegde autoriteiten, zo oordeelde het Hof van Justitie van de EU onlangs in de zaak VL. Het Hof oordeelde in deze zaak ook dat de Europese Opvangrichtlijn al van toepassing is vanaf het moment dat de wens om asiel te willen aanvragen wordt geuit en niet pas vanaf het moment dat het asielverzoek is geregistreerd of formeel is ingediend. Dit betekent dus dat de Opvangrichtlijn van toepassing is op de asielzoekers die in Ter Apel wachten op registratie.

Op grond van artikel 17 van de Opvangrichtlijn is Nederland verplicht om aan asielzoekers materiële opvangvoorzieningen te verschaffen. Materiële opvangvoorzieningen worden in artikel 2 gedefinieerd als ‘de opvangvoorzieningen met inbegrip van huisvesting, voedsel en kleding, die in natura of in de vorm van uitkeringen of tegoedbonnen worden verstrekt of een combinatie van deze drie, alsmede een dagvergoeding’. Deze voorzieningen moeten op grond van artikel 17 ‘een levensstandaard bieden die hun bestaansmiddelen garandeert en hun fysieke en geestelijke gezondheid beschermt’. De vraag is dus of het kunnen beschikken over een bed of matras vereist is voor een dergelijke levensstandaard.

Over de interpretatie van deze bepaling, en daarmee over de kwaliteit van de materiële opvangvoorzieningen, heeft het Hof van Justitie nog geen uitspraak gedaan. Wel wijst het Hof in uitspraken over opvang van asielzoekers altijd naar artikel 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat voorschrijft dat de menselijke waardigheid moet worden geëerbiedigd en beschermd. Het Hof verwijst in deze zaken niet altijd naar artikel 4 van het Handvest, dat overeenkomt met artikel 3 EVRM. Niet uitgesloten is dan ook dat het ontbreken van een fatsoenlijke slaapplaats, hoewel niet in strijd met het EVRM, wel in strijd wordt geacht met de verplichtingen van Nederland voortvloeiend uit het Unierecht.