Bewijslast voor huiselijk geweld bij huwelijksmigranten

2847

Huwelijksmigranten hebben een afhankelijke verblijfsstatus: de verblijfsvergunning is geldig zolang de relatie voortduurt. Indien de relatie tussen de huwelijksmigrant en de partner eindigt als gevolg van huiselijk geweld, kan de huwelijksmigrant in aanmerking komen voor een zelfstandige verblijfsvergunning. Dit blog bespreekt de bewijslast voor slachtoffers van huiselijk geweld die aanspraak doen op een zelfstandige verblijfstatus.
Door Maxime Schoots

Verblijf bij partner en bijzondere individuele omstandigheden
Huwelijksmigranten kunnen een tijdelijke verblijfsvergunning krijgen, voor verblijf als familie- of gezinslid (Artikel 15 Vreemdelingenwet 2000). Deze vergunning blijft geldig zolang de relatie tussen de huwelijksmigrant en de in Nederland verblijvende partner (de referent) voortduurt. Wordt de relatie tijdens deze afhankelijke periode beëindigd, dan is niet langer voldaan aan de verblijfsvoorwaarde en kan de vergunning worden ingetrokken. Na vijf jaar verblijf op basis van een afgeleide vergunning, kan de migrant een zelfstandige verblijfsvergunning aanvragen. Daarvoor moet zij aantonen dat zij vijf jaar onafgebroken in Nederland heeft gewoond én moet zij slagen voor het inburgeringsexamen.

Een huwelijksmigrant kan desalniettemin ook in aanmerking komen voor een niet-tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning (Artikel 3.51 Vreemdelingenbesluit 2000) wanneer zij kan aantonen dat er sprake is van ‘bijzondere individuele omstandigheden’ die haar voortgezet verblijf in Nederland rechtvaardigen. Huiselijk geweld dat tot de beëindiging van de relatie heeft geleid, geldt als zo’n omstandigheid. In dergelijke gevallen geldt geen inburgeringsplicht voor de vreemdeling en kan die een zelfstandige verblijfsstatus krijgen binnen vijf jaar.

Bewijslast in het beleid
Om een beroep te doen op huiselijk geweld als ‘bijzondere individuele omstandigheid’ moet de huwelijksmigrant bewijzen dat sprake is van huiselijk geweld. Als bewijs is om te beginnen vereist aangiftes of een recente verklaring van de politie of het Openbaar Ministerie waaruit blijkt dat er ambtshalve een strafrechtelijke procedure zal worden gestart (Paragraaf 20.2 Vreemdelingencirculaire 2000 (B)). Daarnaast moet er aanvullend bewijs zijn, zoals medische verklaringen van een vertrouwensarts of andere zorgverleners, gegevens van slachtofferopvang (zoals Veilig Thuis) of andere objectieve bronnen die het huiselijk geweld onderbouwen. Ook een rechterlijke uitspraak waarin het huwelijk wegens dwang ongeldig wordt verklaard wordt geaccepteerd als bewijsmateriaal. Daarnaast houdt de IND volgens haar beleid rekening met situaties waarin migranten of hun kinderen tegen hun wil en zonder documenten zijn achtergelaten in het land van herkomst.

Het cumulatieve karakter van de bewijslast is bekritiseerd door GREVIO, de groep van deskundigen inzake de bestrijding van geweld tegen vrouwen, dat toezicht houdt op de implementatie van het Verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul). Zij merkten op dat dergelijke strenge eisen een aanzienlijk effect hebben op vrouwelijke migranten die mogelijk moeite hebben om toegang te krijgen tot hulpverleners of bang zijn om zich tot bijvoorbeeld de politie te wenden. Huwelijksmigranten krijgen vaak geen informatie over hun rechten in een situatie van huiselijk geweld, omdat zij alleen worden geïnformeerd over hun rechten en plichten in het kader van integratie. Het Nederlandse beleid is hier bovendien in strijd met het EU-recht: het geweld dat een slachtoffer ervaart hoeft volgens het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Verdrag van Istanbul niet de oorzaak te zijn geweest van het verbreken van de relatie met haar referent.

Aangifte is onvoldoende bewijs
Hoewel uit de beleidsregels blijkt dat huiselijk geweld aangetoond kan worden met aangiftes of aanwijzingen van de politie over voorgenomen strafrechtelijke vervolging, blijkt uit de jurisprudentie dat de IND dit vaak niet accepteert en dat ook de rechter daar geen stokje voor steekt. In verschillende uitspraken is geoordeeld dat een aangifte niet voldoende objectief bewijs vormt, omdat aangiftes vaak voornamelijk zijn gebaseerd op de verklaringen van het slachtoffer zelf. Dit is een strengere eis dan het beleid van de IND voorschrijft.

In een uitspraak uit 2021 stelde een Egyptische huwelijksmigrant dat zij het slachtoffer was van een gedwongen huwelijk, seksueel misbruik en psychisch en fysiek geweld.  Een jaar eerder had zij aangifte gedaan van psychisch misbruik, dat bestond uit verbale beledigingen en bedreigingen. De politie classificeerde deze aangifte als ‘andere misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’. Deze aangifte, samen met verklaringen van het slachtoffer, haar huisarts en haar psycholoog, werd nog steeds als onvoldoende beschouwd om huiselijk geweld te bewijzen – ook al is zij opgenomen in een instelling voor geestelijke gezondheidszorg, kampt zij met vaginisme en is zij suïcidaal.

In een andere uitspraak uit 2021 oordeelde de rechtbank dat het beroep van een Marokkaanse huwelijksmigrant tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een autonome verblijfsvergunning ongegrond was. Het door haar overgelegde bewijsmateriaal bestond uit brieven en rapporten van betrokken hulpverleners en instanties. De rechtbank oordeelde in deze zaak dat het verstrekte bewijs weliswaar haar bewering van huiselijk geweld door haar referent ondersteunde, maar niet substantieel bewees dat dit geweld de beëindiging van de relatie had veroorzaakt.

Psychische rapporten vaak onvoldoende bewijs
Verklaringen van psychologen worden zelden beschouwd als objectief bewijsmateriaal. In jurisprudentie wordt vaak overwogen dat dergelijke rapporten uitsluitend zijn gebaseerd op de verklaringen van de aanvrager en dat psychologen zich niet bezighouden met waarheidsvinding. Hetzelfde geldt voor rapporten van vrouwenopvangcentra en medische rapporten. De rechtbank stelt dat psychologen of vrouwenopvangcentra zich niet bezighouden met waarheidsvinding. Hiermee stelt zij een hogere drempel dan wat het IND-beleid voorschrijft, namelijk dat de huwelijksmigrant bewijs moet leveren dat huiselijk geweld aannemelijk maakt.

Als een combinatie van verklaringen van maatschappelijk werkers en een huisarts, samen met een of meer aangiften, niet voldoende is om huiselijk geweld vast te stellen, is het enige bewijsmiddel dat overblijft de verklaring van het Openbaar Ministerie. Dit is problematisch, aangezien het besluit tot vervolging een discretionaire beslissing is van de Officier van Justitie, die wordt genomen op basis van tal van factoren die buiten de controle van het slachtoffer liggen.

In een uitspraak uit 2023 bestond het bewijs van de huwelijksmigrant uit een politierapport, een rapport van Veilig Thuis, een verklaring van haar psycholoog, een getuigenverklaring van haar buurvrouw en foto’s van lichamelijk letsel toegebracht door haar ex-partner.  De rechtbank oordeelde dat deze verzameling bewijsstukken huiselijk geweld niet aannemelijk maakte; de rechtbank was het zelfs eens met de IND dat verschillen in haar verklaringen aan het vrouwenopvangcentrum en de politie haar geloofwaardigheid ondermijnden en daarmee ook haar bewering van huiselijk geweld.

Gebrek aan gendersensitieve aanpak
In tegenstelling tot wat GREVIO aanbeveelt, past de rechtbank vaak geen gendersensitieve benadering toe bij het beoordelen van het bewijsmateriaal dat een slachtoffer aanlevert. Volgens artikel 6 van het Verdrag van Istanbul zijn de partijen bij het verdrag verplicht om een gendersensitief perspectief te hanteren bij de uitvoering en evaluatie van de bepalingen van het verdrag. In het GREVIO-rapport wordt gewezen op het gebrek aan gendersensitiviteit in beleid en jurisprudentie met betrekking tot huiselijk geweld.  GREVIO dringt er bij de Nederlandse autoriteiten op aan hun genderneutrale benadering te herzien en ervoor te zorgen dat alle wetgeving en beleid met betrekking tot geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld gebaseerd is op een gendergerelateerd begrip van deze kwesties. Zonder een gendersensitieve aanpak blijven de ervaringen van vrouwen bij het zoeken naar ondersteuning bij gendergerelateerd geweld onbekend, wat in strijd is met de verplichting van de partij om bijzondere aandacht te besteden aan vrouwelijke slachtoffers van gendergerelateerd geweld, op basis van artikel 2, lid 2, van het Verdrag van Istanbul.

Een meer slachtoffergerichte uitspraak is die van 26 januari 2023, waarin een Iraanse huwelijksmigrant het slachtoffer stelde te zijn van seksueel en fysiek geweld door haar referent.  Haar man had haar geslagen terwijl ze zwanger was, en haar gezegd dat hij haar en het kind niet wilde. Als gevolg daarvan verloor ze haar kind. Ze vertelde haar gynaecoloog dat ze zich thuis niet veilig voelde, waarop de gynaecoloog contact opnam met Veilig Thuis. De politie en Veilig Thuis besloten dat het voor haar niet langer veilig was om bij haar man te blijven en brachten haar twaalf dagen onder in een hotel. Na haar verblijf keerde ze terug naar haar ex-partner, omdat ze wanhopig was en nergens anders heen kon. De IND wees haar aanvraag voor een zelfstandige verblijfsvergunning af, omdat ze bij verschillende instanties verschillende verklaringen had afgelegd. In plaats daarvan oordeelde de rechtbank dat dit niet betekent dat haar verklaringen tegenstrijdig zijn – het is bewezen dat haar partner gewelddadig was en dat politie en vrouwenopvangcentra meerdere keren betrokken zijn geweest.

Bovendien doet het feit dat zij een eerdere verklaring bij Veilig Thuis over het misbruik door haar echtgenoot heeft ingetrokken, geen afbreuk aan haar geloofwaardigheid: zij deed dit uit angst en vanwege haar afhankelijke migratiestatus. Concluderend was de rechtbank van oordeel dat zij het door haar ex-partner gepleegde huiselijk geweld inderdaad aannemelijk heeft gemaakt.

Conclusie
Hoewel het IND-beleid verschillende vormen van bewijs accepteert, laat de jurisprudentie zien dat aangiftes, verklaringen van hulpverleners en opvangcentra in de praktijk vaak als onvoldoende objectief worden gezien. Hiermee staat de praktijk op gespannen voet met het Verdrag van Istanbul, dat als doel heeft geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te bestrijden en te voorkomen. GREVIO dringt daarom bij de Nederlandse autoriteiten aan op een herziening van de genderneutrale aanpak in beleid over huiselijk geweld, en om al het beleid over de bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld gendersensitief te maken.