Genderdiscriminatie in het Nederlandse nationaliteitsrecht

424

Bestaat er nog genderdiscriminatie in het Nederlandse nationaliteitsrecht? Artikel 6 lid 1 onder i van de Rijkswet op het Nederlanderschap is bedoeld om historische ongelijkheid tussen mannen en vrouwen in het nationaliteitsrecht te herstellen. Toch vallen kinderen van Nederlandse moeders die vóór 1 maart 1964 door huwelijk met een niet-Nederlandse man hun Nederlanderschap verloren, nog steeds buiten de regeling. In deze blog staat de vraag centraal waarom dit mogelijk discriminerend is, hoe verdragsconforme interpretatie uitkomst kan bieden en waarom aanpassing van de wet nodig blijft.
Door Betty de Hart

Nederland kende lange tijd – langer dan veel andere landen – ongelijkheid van man en vrouw in het nationaliteitsrecht. Tot 1 maart 1964 verloren Nederlandse vrouwen die met een buitenlandse man trouwden automatisch hun Nederlanderschap op het moment van huwelijkssluiting, terwijl buitenlandse vrouwen die met een Nederlander trouwden automatisch Nederlander werden. Ook verkregen de kinderen geboren uit het huwelijk van een Nederlandse vrouw en buitenlandse man niet automatisch het Nederlanderschap bij geboorte. De kinderen geboren uit het huwelijk van een Nederlandse vader en buitenlandse moeder wel.

Eerste beoogde gelijkstelling van mannen en vrouwen
Met de invoering van de Rijkswet op het Nederlanderschap van 1985 werd onder meer beoogd man en vrouw in het nationaliteitsrecht gelijk te stellen. Op grond van deze wet verkregen Nederlandse vrouwen (getrouwd met een buitenlandse man) voor het eerst het recht om de Nederlandse nationaliteit aan hun kinderen ook door te geven. Toch zaten er wat haken en ogen aan deze wet: de groep kinderen van Nederlandse moeders die in aanmerking kwam voor de regeling was beperkt. Terwijl kinderen van Nederlandse vaders geboren vóór 1 januari 1985 automatisch de Nederlandse nationaliteit verkregen bij geboorte, was dit voor kinderen van Nederlandse moeders anders geregeld. Kinderen van Nederlandse moeders geboren voor deze datum konden alleen door middel van het uitbrengen van een optie (door henzelf of door hun moeder) het Nederlanderschap verkrijgen.

Deze optie kon uitsluitend worden uitgebracht gedurende een overgangsregeling die gold voor een periode van drie jaar (van 1 januari 1985 tot en met 31 december 1987), met een leeftijdsgrens voor het betrokken kind van 21 jaar. Voor deze leeftijdsgrens werd gekozen om te voorkomen dat een ‘onvoorstelbaar groot aantal vreemdelingen Nederlander zou worden’, aldus de Memorie van Antwoord. Met deze leeftijdsgrens werd voorkomen dat kinderen geboren voor 1964 een beroep konden doen op deze regeling. Daarmee werd de groep van kinderen van Nederlandse vrouwen die met een niet-Nederlandse man trouwden in de periode voor 1964 en daarmee hun Nederlanderschap automatisch verloren, effectief van de optieregeling van 1985 uitgesloten.

Gedurende de optietermijn van 1985-1987 werden 47.000 opties uitgebracht ten behoeve van kinderen van Nederlandse moeders en niet-Nederlandse vaders, waarvan het overgrote deel, 30.000, woonachtig in Nederland.* Al tijdens de overgangsregeling ontstond bij Kamerleden en maatschappelijke organisaties de vrees dat de overheid onvoldoende voorlichting over de regeling had gegeven. Na afloop van de regeling werd bevestigd dat vele, zogenaamde ‘latente Nederlanders’, in het buitenland woonachtig, niet van de optieregeling gebruik hadden kunnen maken omdat zij, of hun moeders, hiervan niet op de hoogte waren.

 De herstelregeling van 2010
Na vele jaren van debat en lobby van de stichting Ne(e)derlanderschap ja! kwam in 2010 een nieuwe optieregeling (art 6 lid 1 sub i RWN) als een herstelregeling tot stand. Daarmee werd deze latente Nederlanders een mogelijkheid tot optie gegeven, onbeperkt in tijd en zonder de leeftijdsgrens van 21 jaar. Het doel van deze regeling was om de gelijkstelling van man en vrouw in het nationaliteitsrecht ‘zo volledig mogelijk’ te regelen. Hoewel het Ministerie van Justitie de verwachting uitsprak dat mogelijk tot 90.000 individuen van de optieregeling gebruik zouden kunnen maken, blijkt dat in de periode 2014-2024 in totaal 4.281 personen met een beroep op de regeling het Nederlanderschap hebben verkregen (zie hier en hier).

De optieregeling van 2010 leidde opnieuw tot slechts een beperkte gelijkstelling van man en vrouw, omdat de wetgever ervoor koos deze optieregeling te beperken tot kinderen van wie de moeder ten tijde van de geboorte Nederlander was. Daarmee werden kinderen geboren voor 1964, net als eerder bij de overgangsregeling van 1985, opnieuw van deze optieregeling uitgesloten. Nederlandse vrouwen verloren immers tot 1964, zoals hierboven reeds genoemd, in beginsel hun Nederlanderschap bij een huwelijk met een buitenlandse man. Dat was alleen anders als zij niet door huwelijk de nationaliteit van haar buitenlandse man verkreeg of kon verkrijgen. De consequentie van deze keuze door de wetgever is dat het optierecht van artikel 6 lid 1 sub i RWN van de kinderen van Nederlandse moeders nog steeds wordt bepaald door de discriminerende nationaliteitswetgeving (de Nederlandse en de buitenlandse wetgeving) van voor 1964.

Tijdens de totstandkoming van de optieregeling van 2010 werd hierop door leden van de Eerste Kamer gewezen. De wetgever antwoordde destijds: ‘de omvang van deze groep is niet te schatten en zeer moeilijk te onderzoeken. Ook de vraag, of het redelijk is om aan deze personen het Nederlanderschap te verlenen is moeilijk in het algemeen te beantwoorden’. Verwezen werd naar artikel 10 RWN op grond waarvan betrokken individuen een beroep op het Nederlanderschap zouden kunnen doen. De ‘zo volledig mogelijke’ gelijkstelling was dus uitdrukkelijk een beperkte gelijkstelling van man en vrouw.

Op 22 december 2025 oordeelde de Rechtbank Den Haag dat de huidige optieregeling in strijd is met het VN-Vrouwenverdrag. Dit verdrag legt uit wat genderdiscriminatie inhoudt en wat de verplichtingen zijn van staten om deze discriminatie te bestrijden. De Nederlandse Staat is tegen de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gegaan. De vraag die nu dus voorligt bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, is of de optieregeling van artikel 6 lid 1 sub i RWN de gelijkstelling van man en vrouw in het nationaliteitsrecht voldoende bewerkstelligt en in overeenstemming is met de internationaalrechtelijke verplichtingen tot gelijke behandeling van man en vrouw. Om deze vraag te beantwoorden wordt hieronder allereerst ingegaan op de rechtstreekse werking van artikel 9 lid 2 VN-Vrouwenverdrag en andere relevante verdragsbepalingen. Vervolgens wordt ingegaan op de vraag of artikel 10 RWN een geschikt middel is om de ongelijke behandeling van man en vrouw in het nationaliteitsrecht weg te nemen.

Het VN-Vrouwenverdrag en andere internationale verdragen
Artikel 9 lid 2 VN-Vrouwenverdrag bepaalt: States Parties shall grant women equal rights with men with respect to the nationality of their children. In de zesde verplichte nationale rapportage aan het CEDAW-comité uit 2014 noemde de Nederlandse regering artikel 9 van het VN-Vrouwenverdrag als een van de bepalingen met rechtstreekse werking; een ieder verbindende bepaling in de zin van artikelen 93 en 94 Grondwet. Opvallend genoeg is de regering in een reactie op de recente CEDAW-Concluding Observationsvan een ander standpunt uitgegaan, zonder de reden van dat veranderd standpunt toe te lichten. Dat maakt het des te relevanter dat de Afdeling zich over deze vraag uitspreekt.

Uit de formulering van artikel 9 lid 2 VN-Vrouwenverdrag blijkt dat dit een voldoende precieze bepaling is die een duidelijke verplichting tot non-discriminatie aan de wetgever in het leven roept (een shall-bepaling) waaruit voortvloeit dat in het nationaliteitsrecht wat betreft de nationaliteitsverlening aan kinderen geen onderscheid op basis van sekse van de ouder mag plaatsvinden. Uit de formulering van de bepaling blijkt niet dat er sprake is van beleidsvrijheid. Hoewel de bepaling de overheid niet tot nationaliteitsverlening kan verplichten, bepaalt het wel dat in geval van nationaliteitsverlening geen onderscheid mag worden gemaakt op grond van gender.  Zelfs indien er enige beleidsruimte in deze bepaling (hetgeen niet strookt met een tekstuele, logische uitleg van deze bepaling), betekent het enkele bestaan van keuze- of beleidsvrijheid niet dat geen sprake kan zijn van rechtstreekse werking.

In dit verband zijn ook de aanbevelingen van het CEDAW-comité bij het VN-Vrouwenverdrag, hoewel niet juridisch bindend, maar wel gezaghebbend, relevant. Het thema van rechtstreekse werking van de verdragsbepalingen van het Vrouwenverdrag is al langer onderwerp van discussie tussen het comité en de Nederlandse regering. In de recente aanbevelingen van 27 februari 2026 heeft het CEDAW-comité haar zorgen uitgesproken over het door de overheid ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank over de genderdiscriminatie in het Nederlandse recht ten aanzien van de nationaliteit van kinderen van Nederlandse moeders en aanbevolen aan artikel 9 lid 2 VN-Vrouwenverdrag directe werking te verlenen.

Naast het VN-Vrouwenverdrag is Nederland ook op grond van andere internationale verdragen gebonden aan de norm van non-discriminatie op basis van gender. Dat betreft in de eerste plaats het Europees Verdrag Nationaliteit van 1997, dat in artikel 5 discriminatie op grond van gender in het nationaliteitsrecht verbiedt.  De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat bepalingen van het EVN rechtstreekse werking kunnen hebben.   Tevens is van belang de non-discriminatienorm van artikel 14 jo. artikel 8 EVRM. In Genovese v Malta heeft het EHRM geoordeeld dat nationaliteit van invloed is op de sociale identiteit en het privéleven van het kind. Toegang tot nationaliteit wordt daarmee beschermd door artikel 8 EVRM en valt  binnen het bereik van artikel 14 EVRM.  Het Hof heeft in Genovese geoordeeld dat  het problematisch kan zijn als weigering door de staat van nationaliteitsverlening mede berust op een onderscheid dat valt onder de non-discriminatiebepaling van art. 14 EVRM en wanneer die niet-verkrijging van betekenis is voor het privéleven, dat wordt beschermd door art 8 EVRM. Genderdiscriminatie valt onder de verboden discriminatiegronden van art. 14 EVRM.

Artikel 10 RWN een geschikt middel om ongelijke behandeling te adresseren?
In reactie op vragen van Kamerleden verwees de regering naar art. 10 RWN, waarop betrokken nakomelingen van Nederlandse vrouwen geboren voor 1964 zich kunnen beroepen. Art 10 RWN, een bijzondere vorm van naturalisatie op grond van staatsbelang of andere gewichtige Nederlandse belangen, is echter geen geschikt middel om tot gelijkstelling van man en vrouw in het nationaliteitsrecht te komen, vanwege het uitzonderlijke karakter van deze regeling en de strikte voorwaarden. Conform de Handleiding bij de RWN moet van deze bijzondere vorm van naturalisatie slechts met grote terughoudendheid gebruik worden gemaakt, alleen als zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen en daarmee een Nederlands staatsbelang of ander Nederlands belang wordt gediend.  Het uitzonderlijke karakter ervan wordt bevestigd door beschikbare cijfers: in de periode 2003 tot en met 2009 werd gemiddeld aan vier personen per jaar het Nederlanderschap op grond van artikel 10 RWN verleend.**  In de periode 2018-2024 werd het Nederlanderschap op basis van artikel 10 RWN aan personen in het buitenland in drie jaren aan minder dan 10 personen verleend, in vier jaren helemaal niet.***

Incidentele verlening op grond van artikel 10 RWN zal niet kunnen leiden tot de gelijke behandeling van man en vrouw omdat er, in tegenstelling tot bij het optierecht van artikel 6 lid 1 sub i RWN, sprake is van een moeilijker toegankelijke procedure waaraan hogere kosten verbonden zijn, omdat afstand van de vorige nationaliteit moet worden gedaan en omdat er sprake is van een discretionaire nationaliteitsverlening.

Conclusie
De huidige optieregeling van artikel 6 lid 1 sub i RWN voldoet niet aan het beoogde doel: gelijkstelling van man en vrouw. Als gevolg daarvan worden de kinderen van Nederlandse moeders die voor 1 maart 1964 trouwden met een niet-Nederlandse man en als gevolg daarvan hun Nederlanderschap verloren, zodat zij ten tijde van de geboorte van het kind niet de Nederlandse nationaliteit bezaten, nog altijd gediscrimineerd. Daarmee is deze bepaling in strijd met de eenieder verbindende non-discriminatiebepaling van artikel 9 lid 2 VN-Vrouwenverdrag, art 5 van het Europees Verdrag Nationaliteit en artikel 8 jo. 14 EVRM. Deze discriminatie kan worden hersteld door in het individuele geval de bepaling van artikel 6 lid 1 sub i RWN verdragsconform te interpreteren. Vervolgens zal een wetswijziging moeten volgen tot aanpassing van artikel 6 lid 1 sub i RWN die de bestaande discriminatie wegneemt.

* Heijs, E. J. M. (1995). Van vreemdeling tot Nederlander. De verlening van het Nederlanderschap aan vreemdelingen (1813-1992). Amsterdam: Het Spinhuis. p. 204.

** A.J.M. Magram-Tetteroo, ‘De bijzondere naturalisatieprocedure van artikel 10 RWN’, Journaal Vreemdelingenrecht 2010, p. 23-31. G.R. de Groot en M. Tratnik (2020), Nederlands nationaliteitsrecht (Monografieën Privaatrecht nr. 14), 5.4.4 De uitzonderingsnaturalisatie (art. 10).

*** Cijfers door IND verstrekt aan auteur. Bron: Metis/Indigo per 1 april 2026, aantallen afgerond op tientallen. Aangenomen wordt dat deze regeling alleen relevant is voor personen van de groep die centraal staan in deze opinie als zij in het buitenland woonachtig zijn.