
Op 22 april 2026 presenteerde minister Van Den Brink (Asiel en Migratie) een plan van aanpak om schijnerkenningen tegen te gaan. Eerder berichtte NRC van een toename van het aantal “schijnerkenningen”, waarbij ouders kinderen laten erkennen voor verblijfsrechten. In theorie lijkt erkenning door een onbekende Nederlander inderdaad aantrekkelijker geworden, maar uit cijfers en jurisprudentie blijkt dat vooral sprake is van vermoedens. En vermoedens kunnen worden weerlegd.
Door Masja Zweers
Jaarlijks worden 168 duizend kinderen geboren in Nederland. Een derde (32,4%) van deze kinderen heeft een ongehuwd stel als ouders, wat betekent dat de ouders wel een relatie maar geen huwelijk of geregistreerd partnerschap hebben. Overigens wonen de ouders wel vaak samen. Deze kinderen hebben een juridische moeder door geboorte, maar nog geen juridische vader. Het juridisch vaderschap ontstaat als de vader (of duomoeder) het kind erkent, doorgaans bij de gemeente. In 2011 (het meest recente cijfer van het CBS) werden iets meer dan 73 duizend kinderen erkend. Voor een deel van deze kinderen leidt erkenning tot een verblijfsrechtelijk voordeel voor de moeder. Volgens het regeerakkoord van Kabinet-Jetten is de erkenningsprocedure daardoor vatbaar voor misbruik. Zulke zorgen zijn niet nieuw. In 2019 berichtte Volkskrant al dat ambtenaren “speuren” naar schijnouders (zie ook hier). Toen bleef het echter stil vanuit de politiek. Geheel anders was dat in 2003, toen zorgen over schijnerkenningen leidden tot een aanscherping van de nationaliteitsregels. En ook in december 2024 leidde een artikel in NRC tot meerdere Kamervragen en een door oud-minister Faber beloofde aanscherping van het beleid. De door minister Van Den Brink gepresenteerde plannen geven gevolg aan deze belofte. Maar tot dusver is enkel nog sprake van vermoedens: 410 in 2025. Een fractie vergeleken met het aantal kinderen dat jaarlijks wordt erkend. Om welke gevallen gaat het echt?
Voorbeeld: Venezolaanse moeder met Nederlandse vriend
Een Venezolaanse vrouw komt naar Nederland om te werken, maar na twee jaar verliest zij haar baan. Ze woont samen met haar Nederlandse vriend en verwacht met hem een kind. Na de geboorte erkent hij het kind bij de gemeente. De erkenning heeft ten eerste verblijfsrechtelijke gevolgen voor het kind. De vriend is Nederlands, dus met zijn erkenning verkrijgt het kind automatisch de Nederlandse nationaliteit (art. 3 lid 1 RWN). Nederlanders hebben recht op permanent verblijf. Nederland is bovendien lid van de Europese Unie, waardoor het kind niet alleen Nederlands staatsburger is, maar ook “EU-burger”. En het recht op EU-burgerschap (art. 20 VWEU) heeft verblijfsrechtelijke gevolgen voor de Venezolaanse moeder. Haar kind heeft als EU-burger het permanente recht om te verblijven en reizen in de EU (artikel 21 VWEU). Dat recht zou worden geschonden als het kind de EU moet verlaten doordat haar moeder wordt uitgezet. Om de EU-burgerschapsrechten van het kind te garanderen, verkrijgt de Venezolaanse moeder een afgeleid verblijfsrecht. Dit is het zogeheten Chavez-verblijfsrecht, dat in Nederland bestaat sinds de uitspraak Chavez-Vilchez van het HvJEU in 2017 (zie daarover dit Verblijfblog Strikte uitleg gezinshereniging niet langer houdbaar). De erkenning leidt op zichzelf dus niet tot een verblijfsrecht voor de moeder, maar stelt haar in staat de Chavez-aanvraag te starten.
Is het kind al Nederlands en wordt het erkend door een buitenlandse vader of duomoeder, dan is het verband met de Chavez-procedure een stuk zwakker. De buitenlandse ouder kan namelijk ook zonder erkenning een Chavez-aanvraag doen: de procedure staat open voor iedere verzorger van een minderjarig EU-burgerkind.
De Chavez-procedure: low risk en high reward?
Vergeleken met de alternatieven is het Chavez-verblijfsrecht high reward. Dat komt ten eerste doordat er nauwelijks alternatieven zijn. De reguliere Nederlandse migratieregels kennen geen “verblijf bij een minderjarig kind”. Minderjarige kinderen kunnen, met andere woorden niet als referent (verblijfsgever) voor hun ouders optreden. Zelfs ouders van Nederlandse staatsburgers hebben geen recht op gezinshereniging. Tot 2017 konden deze gezinnen alleen een beroep doen op artikel 8 EVRM, dat slechts bij hoge uitzondering succesvol is (zie daarover onze eerdere Verblijfblogs Belangrijke uitspraak: langdurig illegaal verblijvende moeder mag bij gezin blijven en Het recht op gezinsleven I: het EVRM). De uitspraak Chavez-Vilchez van het HvJEU in 2017 veranderde dit. Zonder die uitspraak hadden ouders van Nederlandse kinderen nog steeds geen recht op verblijf bij hun kind in Nederland. Dit staat in contrast met bijvoorbeeld de Duitse en Franse vreemdelingenwet die naast het internationale en EU-recht eigen migratieregelingen voor ouders kennen (§28 en §33 Aufenthaltsgesetz en L. 423-7 CESEDA).
De Chavez-procedure fungeert in Frankrijk en Duitsland meer als een laatste redmiddel, voor ouders die niet aan de nationale voorwaarden kunnen voldoen. Dat sluit aan bij de minimale vereisten voor het Chavez-verblijfsrecht. Er moet sprake zijn van een afhankelijkheidsrelatie tussen het EU-burgerkind en diens buitenlandse verzorger. Verzorgers moeten ziczelf en hun kind kunnen identificeren en bewijs overdragen van dagelijkse zorgtaken, zoals foto’s, bankafschriften en verklaringen van de kinderopvang. Biologisch ouderschap is niet vereist. Voorwaarden die in de mvv-procedure (artikel 8 EVRM) gelden, zijn evenmin van toepassing. De Venezolaanse moeder hoeft voor het Chavez-verblijfsrecht niet een bepaald inkomen te hebben en ook niet drie inburgeringstoetsen in het land van herkomst te behalen. De Chavez-procedure is daarmee niet alleen één van de weinige mogelijkheden, maar ook gelijk de mogelijkheid met de minste obstakels.
Tegelijkertijd is sinds de uitspraak van het HvJEU in 2017 de Chavez-aanvraagprocedure voor alleenstaande ouders low risk. Buitenlandse ouders die een beroep deden op de voorganger van het Chavez-verblijfsrecht, de Ruiz Zambrano jurisprudentie, werden uitgezet. Van hen werd verwacht dat zij hun kinderen achterlieten bij de Nederlandse ouder, ook al was die niet meer in beeld of veroordeeld voor huiselijk geweld. Buitenlandse ouders moesten het gezag overdragen aan de Nederlandse ouder. In sommige gevallen eindigden de kinderen in een pleeggezin. De uitspraak van het HvJEU in Chavez-Vilchez bekritiseerde dit beleid en bracht er een einde aan (zie hierover het Verblijfblog “Strikte uitleg Afdeling over gezinshereniging niet langer houdbaar”). Sindsdien hoeft de Venezolaanse moeder niet meer te vrezen dat zij haar kinderen moet achterlaten in Nederland. Sterker nog, als de zorg volledig bij de Venezolaanse moeder ligt, dan zal zij zonder al te veel problemen voldoen aan de bewijslast van dagelijkse zorgtaken. Het kind is immers volledig afhankelijk van haar zorg. En hier wringt het, want dit betekent in theorie dat erkenning door een onbekende Nederlander de kans op toewijzing van de Chavez-aanvraag verhoogt. Hoe het kind de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, speelt bovendien geen rol in de Chavez-procedure. Vanuit dit licht bezien lijkt erkenning door een onbekende Nederlander low risk en high reward voor buitenlandse ouders. Zo een erkenning is aan te merken als schijnerkenning.
Schijnerkenning
Een schijnerkenning is enkel en alleen gericht op het verkrijgen van voordelen van de juridische afstammingsrelatie, zoals een erfenis, belastingvoordeel, nationaliteitsgevolg of verblijfsrecht. De ambtenaar van de burgerlijke stand (ABS) is bevoegd onderzoek te doen naar vermoedens van schijn (artikel 1:18c BW). Weerlegt zijn onderzoek het vermoeden van schijn niet, dan zal de ABS de erkenning moeten weigeren (artikel 1:18 BW). Het weigeringsbesluit kan worden aangevochten bij de civiele rechter. Controle achteraf is ook mogelijk: het OM kan de rechtbank verzoeken om de erkenningsakte te vernietigen (artikel 1:205 BW). Is het kind in het buitenland erkend door een Nederlander, dan zal in reactie op de paspoortaanvraag ook worden gecontroleerd of sprake is geweest van een schijnerkenning (artikel 10:101 BW). Biologisch ouderschap of de aanwezigheid van gezinsleven tussen de erkenner en het kind sluiten de schijnerkenning uit. De erkenning beoogt dan immers óók het biologisch ouderschap en/of het sociaal ouderschap juridisch vast te leggen.
Cijfers
Aanvragen voor het Chavez-verblijfsrecht worden in toenemende mate gedaan door gezinnen die in één huishouden samenwonen. Zo woonde in 2022 79% van de kinderen in de Chavez-procedure bij beide ouders, terwijl dit in 2018 nog om 50% ging. Bovendien zijn de kinderen van Chavez-aanvragers vaker in het huwelijk geboren, wat betekent dat er minder vaak sprake is van verwerving van de nationaliteit via erkenning. In 2018 had 43% van de kinderen in de Chavez-procedure de Nederlandse nationaliteit verworven door erkenning, wat in 2022 is gedaald naar 33%. Zijn de ouders gescheiden, dan wonen de kinderen bovendien vaker bij de Nederlandse ouder dan in 2018. Uit deze cijfers volgt dat Chavez-aanvragers en hun kinderen vaker gezinsleven hebben met de Nederlandse ouder. Van een schijnerkenning kan dan geen sprake zijn.
Wel is de stijging in het aantal vermoedens significant: 20 in 2022, 240 in 2024 en 410 in 2025. De stijging in het aantal vermoedens van fraude is in ieder geval niet terug te zien in het aantal kinderen dat de Nederlandse nationaliteit krijgt door erkenning, zo blijkt uit de cijfers van het CBS in de volgende tabel:
| 1999 | 2002 | 2016 | 2017 | 2018 | 2019 | 2020 | 2021 | 2022 | 2023 | 2024 | |
| Nederlanderschap door erkenning | 802 | 729 | 202 | 202 | 216 | 161 | 230 | 348 | 369 | 318 | 304 |
Bron: CBS
In 2023 is het aantal kinderen dat de Nederlandse nationaliteit verkrijgt door erkenning juist gedaald. Ook blijkt niet uit de tabel dat als gevolg van de Chavez-uitspraak in 2017 buitenlandse kinderen vaker worden erkend door Nederlanders. Het aantal van 304 in 2024 is in ieder geval een stuk lager dan het aantal van 729 in 2002, toen eerdere zorgen over schijnerkenningen leidden tot aanscherping van de nationaliteitsregels. Het is onduidelijk waar de 410 fraudevermoedens van 2024 op zijn gebaseerd. Het kan zijn dat de vermoedens te maken hebben met de aanwezigheid van bepaalde risico-indicatoren, waar de ABS en IND een lijst van bijhouden. De lijst is niet openbaar, maar uit de rechtspraak volgen een aantal relevante factoren.
Rechtspraak
Uit de rechtspraak volgt dat onrechtmatig verblijf, het niet samenwonen van de vermeende ouders, een groot leeftijdsverschil tussen de vermeende ouders en het erkennen van meerdere kinderen aanwijzingen zijn voor schijnerkenning. Maar ook bij de aanwezigheid van risico-factoren kan sprake zijn van gezinsleven tussen de erkenner en het kind. Van een schijnerkenning kan dan, aldus de civiele rechter, geen sprake zijn. Sterker nog, het is niet ongebruikelijk voor gemengde-status-gezinnen om apart te wonen, omdat huisgenoten van ongedocumenteerden hun toeslagen verliezen (artikel 9 AWIR, zie ook dit eerdere blog). Krijgen deze gezinnen een kind, dan is bij de erkenning sprake van twee risico-indicatoren. Uit een zaak volgt dat dat genoeg kan zijn voor een vermoeden van schijnerkenning.
Sinds 2017 zijn er 14 uitspraken gepubliceerd over door de ABS geweigerde erkenningen wegens vermoedens van fraude. Negen keer moet de ABS alsnog een akte van erkenning opmaken, meestal omdat sprake is van gezinsleven tussen de erkenner en het kind. De bijzondere curator speelt hierin een relevante rol. Een bijzondere curator is een onafhankelijke deskundige die het belang van het kind behartigt in de rechtszaak. Tijdens haar thuisbezoek komt de bijzondere curator een stuk dichter bij de vermeende familie dan de ABS. Zo staat in een verslag van de bijzondere curator dat ‘de erkenner en het kind samen eten, spelen, lezen en praten over “mannendingen”’. De rechter concludeert daarom dat sprake is van gezinsleven en dat de erkenning een legitiem motief heeft. Dat de ABS “vaak” wordt teruggefloten door de rechter, lijkt dus niet het gevolg van een gebrek aan zorgvuldig onderzoek en waarheidsvinding.
Conclusie
Het is onduidelijk of het aantal schijnerkenningen daadwerkelijk stijgt. Wel is duidelijk dat de zorgen hierover toenemen, wat op het eerste oog niet geheel onterecht is. Sinds de uitspraak van het HvJEU in Chavez-Vilchez is erkenning door een onbekende Nederlander immers low risk en high reward. Uit de cijfers volgt echter dat sinds drie jaar vaker sprake is van gezinsleven tussen de Nederlandse ouder, het kind en de moeder in de Chavez-procedure. Dat het Chavez-verblijfsrecht low risk en high reward is, heeft dan ook vooral te maken met het feit dat er in Nederland nauwelijks verblijfsalternatieven bestaan voor ouders van Nederlandse kinderen. Uit de rechtspraak volgt bovendien dat vermoedens van schijnerkenning betrekking kunnen hebben op gevallen waar sprake is van gezinsleven. Wat het strafrecht hier kan toevoegen aan de waarheidsvinding van de bijzondere curator, is niet duidelijk. Eén ding is zeker: een aanscherping van de regels zal zich moeten verhouden tot de belangen van 73 duizend kinderen die jaarlijks zijn betrokken bij de erkenningsprocedure.








