
Op 4 juni 2026 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Safi (C-147/24) geoordeeld dat ouders met een geldig verblijfsrecht in de EU óók in aanmerking komen voor een afgeleid verblijfsrecht bij hun kind (het Chavez-verblijfsrecht). De uitspraak heeft gevolgen voor het Nederlandse beleid, dat deze ouders tot nu toe uitsloot van de Chavez-procedure.
Door Masja Zweers
Achtergrond
Het HvJEU oordeelde in 2011 in de zaak Ruiz Zambrano dat artikel 20 VWEU kan worden geschonden wanneer ouders van minderjarige EU-burgerkinderen een verblijfsrecht wordt geweigerd. Het gaat om ouders met een nationaliteit van een land buiten de EU (ook wel “derdelander” ouders, in dit blog: buitenlandse ouders). Als hun kinderen de nationaliteit hebben van één van de EU-lidstaten, zijn de kinderen EU-burgers (artikel 20 VWEU). Het recht op EU-burgerschap verleent deze kinderen het recht om vrij te reizen en verblijven in de EU. Maar als de buitenlandse ouder wordt uitgezet, zullen de van hun afhankelijke kinderen met hen de EU moeten verlaten. Het gedwongen vertrek betekent, aldus het HvJEU, dat de kinderen hun EU-burgerschapsrechten niet effectief kunnen uitoefenen: een schending van artikel 20 VWEU. Daarom komt de buitenlandse ouder in aanmerking voor een verblijfsrecht afgeleid van het EU-burgerschap van hun kinderen. In Nederland is dit afgeleide verblijfsrecht bekend komen te staan als het Chavez-verblijfsrecht (zie daarover dit Verblijfblog ).
Dit afgeleide verblijfsrecht is door het HvJEU in verschillende uitspraken verduidelijkt (zie naast eerder genoemd Verblijfblog ook dit en dit Verblijfblog). Telkens sprak het HvJEU over “het verlaten van het grondgebied van de Europese Unie” als schending van artikel 20 VWEU. Het Nederlands vreemdelingenbeleid ging er daarom van uit dat het Chavez-verblijfsrecht uitsluitend is bedoeld voor ouders die geen verblijf hebben in een andere EU-lidstaat. De Nederlandse rechtspraak sloot zich hier telkens bij aan (zie hier en hier). Maar de uitspraken van het HvJEU gingen telkens over buitenlandse ouders die zonder het afgeleide verblijfsrecht het gehele grondgebied van de EU zouden moeten verlaten. Met de zaak Safi buigt het HvJEU zich voor het eerst over een andere context: de situatie waarin de buitenlandse ouder al een verblijfsrecht heeft in een andere EU-lidstaat.
Waar gaat Safi (C-147/24) over?
De zaak Safi gaat over een Marokkaanse moeder met een Nederlandse echtgenoot, die samen een kind hebben met (enkel) de Nederlandse nationaliteit. Van 1999 tot 2014 verbleef de moeder in Spanje om te werken. Na haar huwelijk is ze naar Nederland vertrokken, waar ze sindsdien zonder verblijfsvergunning woont. Het kind, inmiddels elf jaar oud, heeft spraak- en taalproblemen en wordt met georganiseerd vervoer van en naar een instelling voor speciaal onderwijs gebracht. De moeder zorgt samen met haar echtgenoot voor het kind, al kampt de echtgenoot ook met gezondheidsproblemen. Vanwege die gezondheidsproblemen is de echtgenoot deels vrijgesteld van de sollicitatieplicht. In 2020 verzoekt de moeder om een afgeleid Chavez-verblijfsrecht, maar die wordt afgewezen. Volgens de IND heeft zij namelijk al een verblijfsrecht in Spanje. De moeder wordt opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en zich naar Spanje te begeven.
De zaak komt bij rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, die opmerkt dat het kind volledig afhankelijk is van zijn moeder. De rechtbank vraagt zich af of de aanvraag van de moeder kan worden afgewezen om de enkele reden dat zij al een verblijfsrecht in Spanje heeft, zonder dat daarbij wordt nagegaan of het gezinsleven daar kan worden voortgezet en zonder grondig te toetsen aan het recht op familieleven (artikel 7 Handvest) en de rechten van het kind (artikel 24(2) en (3) Handvest). In de zaak Safi geeft het Hof van Justitie antwoord op deze vragen.
Wat zegt het Hof van Justitie?
Volgens het Hof is het onzeker of de moeder daadwerkelijk een verblijfsrecht heeft in Spanje. Mocht zij inderdaad geen verblijfsrecht in Spanje meer hebben, dan moet aan haar een afgeleid Chavez-verblijfsrecht worden verleend, aldus het Hof (para 49). Ook wanneer de moeder wél nog een verblijfsrecht in Spanje heeft, komt zij in aanmerking voor het Chavez-verblijfsrecht (para 50). Dit volgt uit het EU-burgerschap van het kind, gelezen in samenhang met de grondrechten in het Handvest.
Toetsing aan grondrechten Handvest
De afwijzing van de Chavez-aanvraag leidt tot een gedwongen verplaatsing van de ene lidstaat naar de andere, wat inmengt met het EU-burgerschapsrecht op vrij verkeer en verblijf in de EU (para 54). Volgens het Hof is in zo een geval sprake van het “ten uitvoer brengen van het recht van de Unie”, waardoor aan de grondrechten van het Handvest moet worden getoetst (para 55). Het Hof toetst vervolgens zelf aan het Handvest en stelt dat er twee grondslagen zijn voor het verlenen van een afgeleid Chavez-verblijfsrecht aan de moeder: het belang van de eenheid van het gezin (para 56-60) en het belang van het kind (para 62-64).
Eenheid gezin
Op basis van artikel 7 (het recht op gezinsleven) gelezen in samenhang met artikel 24(3) van het Handvest hebben kinderen het recht op regelmatig en rechtstreekse omgang met beide ouders. De IND heeft echter niet onderzocht of het kind met beide ouders in Spanje zal kunnen verblijven (para 58). Volgens het Hof is het echter waarschijnlijk dat de vader vanwege zijn medische en financiële positie niet zal kunnen voldoen aan het middelenvereiste voor een verblijfsrecht in Spanje. Tegelijkertijd staat volgens het Hof vast dat het kind afhankelijk is van zowel zijn moeder als vader (para 57). Daardoor bestaat een concreet risico dat het kind wordt gescheiden van zijn vader als de moeder geen afgeleid Chavez-verblijfsrecht in Nederland krijgt (para 59). De weigering van het Chavez-verblijfsrecht ontneemt het kind dan “de mogelijkheid die het al sinds zijn geboorte heeft gehad om persoonlijke betrekkingen en regelmatige contacten met zijn beide ouders te onderhouden” (para 60). In zo een geval moet volgens het Hof aan de moeder een afgeleid verblijfsrecht worden verleend (para 60). Anders wordt afbreuk gedaan aan de eenheid van het gezin, hetgeen in strijd is met het recht op respect voor familie- en gezinsleven (artikel 7 Handvest) en het recht op omgang met beide ouders (artikel 24(3) Handvest).
Belang van het kind
Naast de eenheid van het gezin, kan uit het belang van het kind (artikel 24(2) Handvest) volgen dat aan de moeder een afgeleid Chavez-verblijfsrecht wordt verleend, aldus het Hof. Volgens artikel 24(2) van het Handvest vormen de belangen van het kind een essentiële overweging bij alle handelingen die hen aangaan. Volgens het Hof is het “op zijn minst” in het belang van het kind om in Nederland te blijven wonen (para 63). Dat volgt uit de leeftijd van het kind, het feit dat hij is opgegroeid in Nederland, geen Spaans spreekt en specialistische ondersteuning nodig heeft (para 62).
Gevolgen praktijk
De gevolgen van Safi zijn waarschijnlijk niet gering. Bij een Chavez-aanvraag van een buitenlandse ouder met een verblijfsrecht in een andere EU-lidstaat werd tot nu toe niet toegekomen aan de afhankelijkheidsbeoordeling en werd ook niet aan het EU-Handvest getoetst. Uit de uitspraak van het Hof volgt dat in deze gevallen wél onderzoek moet worden gedaan naar de afhankelijkheidsrelatie.
Bovendien zal bij deze ouders grondig onderzoek moeten worden gedaan naar de rechten van het betrokken kind. Zo zal moeten worden onderzocht of de buitenlandse ouder daadwerkelijk nog een verblijfsrecht heeft in de andere EU-lidstaat. Daarnaast moet worden onderzocht of het gezinsleven met beide ouders kan worden voortgezet in de andere EU-lidstaat. Een concreet risico op scheiding van kind en ouder kan leiden tot aanspraak op een afgeleid Chavez-verblijfsrecht.
Maar ook als het gezinsleven met beide ouders kan worden voortgezet in de andere EU-lidstaat, kan in het belang van het kind (artikel 24(2) Handvest) aanspraak op een Chavez-verblijfsrecht in Nederland bestaan. Het is de vraag of dit slechts geldt voor kinderen in een vergelijkbare kwetsbare positie als het kind in deze zaak. De bewoordingen van het Hof suggereren dit niet expliciet: het is voor dit kind “op zijn minst” in het belang om in Nederland te blijven, wat naast zijn medische behoeften ook te maken heeft met het feit dat hij geen Spaans spreekt en in Nederland is opgegroeid.
Ouders die geen verblijfsrecht hebben in een andere EU-lidstaat
Doorgaans wordt niet aan het EU-Handvest getoetst bij de Chavez-procedure, omdat het geen gebruikelijke verblijfsprocedure is die wordt geregeld door EU-regels (zoals de Gezinsherenigingsrichtlijn of Kwalificatieverordening). Wel wordt bij de beoordeling van de afhankelijkheidsrelatie tussen ouders en kind rekening gehouden met het recht op respect voor familie- en gezinsleven (artikel 7 Handvest), het recht op omgang met beide ouders (artikel 24(3) Handvest) en het belang van het kind (artikel 24(2) Handvest). Volgens het Hof in Safi heeft het EU-Handvest rechtstreekse werking doordat het kind wordt gedwongen gebruik te maken van zijn recht op vrij verkeer in de EU-lidstaten. Het is de vraag of met een gedwongen verplaatsing van Nederland naar een land buiten de EU niet ook (grondiger) aan het EU-Handvest moet worden getoetst.
Wel besteedt het Hof in de zaak Safi expliciet aandacht aan het belang van gezag van de buitenlandse ouder over het kind. Dit suggereert dat erkenning van het kind door de buitenlandse ouder belangrijk is voor de vaststelling van de vereiste afhankelijkheid (zie daarover dit Verblijfblog).
Conclusie
In de zaak Safi verduidelijkt het Hof het afgeleide verblijfsrecht voor buitenlandse ouders op grond van EU-burgerschap (artikel 20 VWEU) van hun kind. Deze ouders werden in het geval van een verblijfsrecht in een andere EU-lidstaat uitgesloten van de Chavez-procedure. Uit de uitleg van het Hof van Justitie volgt dat zij wel aanspraak maken op een Chavez-verblijfsrecht en dat de afhankelijkheidsrelatie en familie- en kinderrechten van het EU-Handvest zorgvuldig moeten worden onderzocht.








