Vijftig jaar onafhankelijkheid van Suriname en het grootschalige verlies van het Nederlanderschap

3580

Op 25 november 1975 werd Suriname onafhankelijk. Als gevolg van de Toescheidingsovereenkomst (TOS), verloren op die dag honderdduizenden Nederlanders automatisch hun Nederlanderschap. Zij kregen in plaats daarvan de nationaliteit van Suriname. Tegelijkertijd werd de Wet op het Nederlanderschap en het Ingezetenschap (WNI) gewijzigd. Verblijfblog bespreekt de hedendaagse gevolgen hiervan.
Door Katja Swider

Een halve eeuw geleden, op 25 november 1975, trad de Toescheidingsovereenkomst (TOS) tussen Nederland en Suriname in werking. Als gevolg daarvan verloren naar schatting circa 350.000 Nederlandershun Nederlanderschap, zij verkregen automatisch de nationaliteit van Suriname. Dit gebeurde vaak tegen wil en dank en soms zelfs zonder dat ze hiervan wisten. Tegelijkertijd werd de toen geldende Wet op het Nederlanderschap en het Ingezetenschap (WNI) gewijzigd om ondermeer de toepassing van het dubbele jus soli principle op Suriname te beëindigen.

Zowel de inhoud als de consequenties van de TOS ontvingen veel kritiek. Veel aandacht (zowel in de media als in de academische wereld) ging uit naar mensen die eerst een volwaardig Nederlanderse nationaliteit bezaten, maar vervolgens terecht kwamen in een geillegaliseerd en extreem armoedig bestaan in Nederland. Om een eenmalige oplossing hiervoor te bieden, stelde de overheid in 2024 een Tijdelijke Regeling in, waarbij sommigen in deze groep eindelijk toegang kregen tot een verblijfsvergunning.  Daarvoor moesten ze aan een lijst van restrictief geformuleerde eisen voldoen, en tussen januari en juli 2025 bij één centraal loket in Amsterdam een aanvraag in hebben gediend. Met de regeling waren echter niet alle consequenties van het massaverlies van nationaliteit goedgemaakt. De TOS en de daaraan gerelateerde WNI-wetswijziging blijven in stand, en worden nog steeds toegepast door de rechter in het kader van vaststelling van het Nederlanderschap. Vaststelling van Nederlanderschap is een civielrechtelijke procedure op basis van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) bij de Rechtbank Den Haag. Het lijkt op de procedure voor de vaststelling van staatloosheid, die in een eerdere Verblijfblog werd besproken.

Dit blog gaat in op de inhoud en toepassing van zowel de TOS als de wetswijziging van WNI van 1975. Het bespreekt de mogelijke effecten van de recentere EU en EVRM normen omtrent nationaliteitsrecht op de hedendaagse gevolgen van het massaverlies van Nederlanderschap in 1975.

TOS: automatisch massaverlies van Nederlanderschap en de rol van vrije wil
TOS is een internationaal verdrag tussen Nederland en Suriname dat regelt welke Nederlanders hun Nederlanderschap in 1975 verloren en de nationaliteit van het onafhankelijke Suriname kregen, en welke Nederlanders Nederlanders bleven. Vóór 1975 hadden Nederland en het door haar gekoloniseerde Suriname één gedeeld nationaliteitsregime: iedereen was juridisch gezien een gelijkwaardige Nederlander. Op de dag van de onafhankelijkheid van Suriname werd de bevolking op basis van TOS criteria gesegregeerd, en gedeeltelijk aan Suriname toegekend. Hoewel TOS geen expliciet beroep doet op ras, blijkt uit onderzoek dat de totstandkoming van TOS “niet geheel vrij [is] van etno-nationaal denken”.

De kernbepaling van TOS is dat iedereen die op 25 november 1975 in Suriname woonde, en of (1) zelf in Suriname is geboren, of (2) als zij zelf niet in Suriname is geboren – wier vader daar is geboren, automatisch de nationaliteit van Suriname kreeg (arts. 3 & 4). Verkrijging van de Surinaamse nationaliteit leidde door de TOS tot het verlies van het Nederlanderschap (art. 2). Dubbele Surinaamse en Nederlandse nationaliteit als gevolg van de TOS werd niet toegestaan. Bij de onderhandelingen over de TOS heeft de Nederlandse regering en een meerderheid van de tweede kamer de mogelijkheid van een dubbele nationaliteit afgewezen.

Het onvrijwillige karakter van het verlies van Nederlanderschap door de TOS wordt nog steeds betwist in verzoeken tot de vaststelling van Nederlanderschap. Bijvoorbeeld de verzoekster uit de uitspraak van 8 mei 2025 was als Nederlandse in 1970 in Suriname geboren, en stelde dat ze nog steeds Nederlanderschap bezat, onder andere omdat ze daar nooit vrijwillig afstand van heeft gedaan. De rechtbank concludeerde dat het gebrek aan instemming van de betrokkene niet afdoet aan het automatisch verlies van haar Nederlanderschap op basis van TOS.

Niet iedereen was machteloos tegen het automatische verlies van Nederlanderschap door de TOS. Diegene die op 25 november 1975 wel in Suriname woonde en daar ook was geboren (waardoor zij onder de kernbepaling viel), maar wier vader niet in Suriname was geboren, kreeg de kans om binnen een jaar door middel van een wilsverklaring het Nederlanderschap te herkrijgen (art. 10).

Daarnaast kreeg een brede groep van degenen die niet onder de kernbepaling vielen, maar wel bepaalde banden met Suriname hadden een kans om binnen tien jaar door wilsverklaring de Surinaamse nationaliteit alsnog te verkrijgen (art. 5(1)). Dit waren bijvoorbeeld mensen die Nederlanders waren geworden door naturalisatie of huwelijk terwijl ze in Suriname woonden. Uit de uitspraken van de Rb Den Haag van 24 november 2021 en 29 september 2022 blijkt dat bij de uitvoering van deze bepaling het niet altijd even duidelijk was aan de betrokkenen dat ze dan ook instemden met het verlies van hun Nederlanderschap. Er werd blijkbaar één soort formulier gebruikt voor zowel het opteren voor de Nederlandse als voor de Surinaamse nationaliteit, waarbij een van de twee nationaliteiten weggestreept hoorde te worden. De verzoekers in deze uitspraken hadden geen van beide nationaliteiten aangekruist of weggestreept toen ze het formulier ondertekenden, en hadden volgens hun betoog geen intentie om hun Nederlanderschap op te geven. Toch vond de Rb den Haag dat ze door het ondertekenen van het formulier vrijwillig hun Nederlanderschap hadden verloren.

Bovendien verloren Nederlanders die banden met Suriname hadden automatisch hun Nederlanderschap als ze twee jaar lang in Suriname hadden gewoond tussen 1975 en 1995 (Art. 5(2)[oud]). De Hoge Raad had hierover jurisprudentie ontwikkeld om degenen die door onverwachte omstandigheden te lang in Suriname zijn gebleven tegen het automatische verlies van het Nederlanderschap te beschermen. Vervolgens is deze bepaling in 1995 ingetrokken.

Minderjarigen volgden in principe de nationaliteit van hun vader, of van hun moeder als de vader juridisch niet in beeld was, of in een ander land woonde dan de moeder en het kind (art. 6). Sommige van degenen die in 1975 minderjarig waren kregen de kans om binnen vijf jaar na het bereiken van meerderjarigheid door wilsverklaring een nationaliteit te verkrijgen die ze “zouden hebben gekregen dan wel hadden kunnen verkrijgen of behouden” als ze in 1975 meerderjarig waren geweest. Die keus was alleen beschikbaar voor de minderjarigen die een andere nationaliteit hadden gekregen dan ze hadden kunnen krijgen als ze in 1975 meerderjarig waren geweest.

In drie uitspraken van 14 januari 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat de verzoekers, die als Nederlanders in Suriname zijn geboren en daar in 1975 als twee-, vier– en viertienjarige kinderen woonden, geen Nederlanders meer waren, ondanks hun betoog dat ze na het bereiken van meerderjarigheid “meermaals bij de autoriteiten kenbaar […] hebben gemaakt dat [ze] wilde opteren voor de Nederlandse nationaliteit”. Volgens de rechtbank houdt de keuze die de TOS minderjarigen gunde niet in dat “reeds door [het bereiken van meerderjarigheid] gelegenheid moet worden geboden alsnog te opteren voor een nationaliteit die afwijkt van die van de vader of eventueel de moeder”, en dat het enkel gaat om “een correctiemogelijkheid […] voor gevallen waarin de […] TOS ertoe leidt dat een minderjarig kind een andere nationaliteit verkrijgt dan het zou hebben verkregen indien het reeds meerderjarig zou zijn geweest op het tijdstip van inwerkingtreding van de TOS”. Omdat de verzoekers hun Nederlanderschap ook zouden hebben verloren als ze in 1975 meerderjarig waren, hadden ze na het bereiken van meerderjarigheid geen mogelijkheid om hun Nederlanderschap te herkrijgen. Vergelijkbare uitspraken werden ook in 2024 en 2018 gedaan. In het algemeen wordt het onvrijwillige karakter van het verlies van Nederlanderschap wegens de TOS door rechters nog steeds in stand gehouden, en wordt dit niet principieel bevraagd of genuanceerd, ondanks ampele gelegenheid.

Wetswijziging WNI: dubbele jus soli principe
Naast TOS is de nationaliteitswetgeving van toen, de WNI, aangepast. Vóór 1975 kon het Nederlanderschap onder bepaalde omstandigheden verkregen worden door geboorte in Suriname, onder andere volgens het dubbele jus soli principe. Het jus soli principe verbindt de verkrijging van de nationaliteit bij geboorte aan het land waar het kind geboren wordt. Een bekend voorbeeld is de VS, waarbij geboorte op het grondgebied tot automatisch verkrijging van nationaliteit leidt.

In Nederland is dit ingewikkelder, omdat er een dubbel jus soli principe geldt, waarvan de meest recente versie in artikel 3(3) RWN is opgenomen. De kern is dat een kind bij geboorte automatisch Nederlander wordt als zij geboren is uit een ouder die, tijdens de geboorte van het kind, in Nederland woonde, terwijl die ouder ook geboren is op een moment dat een van haar ouders in Nederland woonde. Nederland kent dus geen puur ius soli, maar een dubbel jus soli – of een tweede generatie jus soli – dat op de woonplek van de ouder is gebaseerd. Om complexe formuleringen te voorkomen gaat het in dit blog in het vervolg over de geboorteplaats, in plaats van de woonplaats van de ouders tijdens geboorte, omdat in de meeste gevallen het land van geboorte overeenkomt met het land van de woonplaats van de ouders.

Een vergelijkbare dubbele jus soli principe gold ook tijdens de WNI, in art. 2(a). Tussen 1953 en 1975 was het grondgebied van Suriname opgenomen in deze regeling. Dit betekende dat de geboorte van twee generaties of in Europees Nederland of in het rijksdeel Suriname, leidde tot automatische verkrijging van het Nederlanderschap. Na 1975 is de verwijzing naar Suriname uit artikel 2(a) WNI weggehaald.

Het is logisch dat na 1975 geboorte op grondgebied van het onafhankelijke Suriname niet tot de verkrijging Nederlanderschap moest leiden. Maar wat als de eerste generatie vóór 1975 op het grondgebied van Suriname is geboren, toen het wel als Nederland telde voor de dubbele jus soli principe, terwijl de tweede generatie in het Europese Nederland is geboren, ofwel is de tweede generatie dan wel automatisch Nederlander?

Volgens Rb Den Haag is dit niet het geval. Dit blijkt onder anderen uit twee uitspraken van 22 oktober 2024, die een eerdere uitspraak van 7 april 2011 bevestigen. In de 2024 uitspraken ging het om twee verzoekers die, op basis van de weergegeven feiten, waarschijnlijk een broer en een zus, en respectievelijk in 1998 en 2001 in Nederland zijn geboren, uit een vader die in 1968 in de rijksdeel Suriname is geboren. De vader verloor als kind automatisch zijn Nederlanderschap op basis van TOS.  De verzoekers stellen dat zij juist het Nederlandschap van rechtswege hebben gekregen door het dubbele jus soli principe: zij zijn in Nederland geboren terwijl hun ouders in Nederland woonden en hun vader is zelfs in het toenmalige Nederlandse Suriname geboren (terwijl diens ouders daar ook woonden). De rechtbank accepteert dit argument niet, en stelt kortweg dat “Suriname is sinds 25 november 1975 […] niet meer opgenomen in artikel 3 lid 3 RWN (oud). Dat Suriname op het moment van geboorte van de vader van verzoeker nog deel uitmaakte van het Koninkrijk der Nederlanden is daarom niet relevant’.  De rechtbank negeert hierbij de territoriale definitie van Nederland die zou moeten hebben gegolden voor het jus soli principe op het moment van geboorte van de eerste generatie (vóór 1975). Deze interpretatie betekent dat met terugwerkende kracht het Suriname van voor 1975 niet meer als onderdeel geldt van het Koninkrijk der Nederlander, wat de werking van het dubbele jus soli principe aanzienlijk bemoeilijkt

Opvallend is ook de tegenstrijdige redenering van de Rb den Haag over de rol van het hebben van sterke banden met Nederland in de context van de dubbele jus soli principe. In alle drie bovenbesproken uitspraken benadrukt de rechtbank dat de intentie van het dubbele jus soli principe is Nederlanderschap te verlenen aan degenen die een sterke en reële band hebben met Nederland. Tegelijkertijd oordeelt de rechtbank in de uitspraak van 2024 dat “de omstandigheid dat verzoeker[s] een sterke band [hebben] met Nederland [niet] toereikend [is] voor een beroep op artikel 3 lid 3 RWN”. De rechtbank gaat niet in op de aard van persoonlijke of historische banden tussen de verzoekers en Nederland.

Tjebbes arrest: kan de TOS op EU-evenredigheid getoetst worden?
In het het Tjebbes arrest besloot het Hof dat een automatisch verlies van Nederlanderschap, als het ook tot verlies van Unieburgerschap leidt, gekoppeld moet zijn aan een evenredigheidstoets. Aangezien het Unieburgerschap in 1975 nog niet bestond, passen rechtbanken vooralsnog de evenredigheidstoets niet toe op het massaverlies van Nederlanderschap in 1975. Voorbeelden van deze redenering zijn onder andere te vinden in uitspraken van 5 mei 2025, 14 januari 2025 en 7 november 2024.

Hoewel het juridisch-technisch wel klopt dat het door de TOS veroorzaakte verlies van Nederlanderschap in 1975 plaatsvond, hebben de effecten van het verlies zich lang niet altijd voor iedereen onmiddellijk of duidelijk voorgedaan. Het verlies van Nederlanderschap vond immers op grote schaal en automatisch plaats. Bovendien heeft het EHRM in Alpeyeva  benadrukt dat bij de beoordeling of iemand een nationaliteit heeft, praktische uitdrukkingen van bezit van een nationaliteit zwaarder wegen dan de juridisch-technische formuleringen in de wetgeving.

Een voorbeeld van onduidelijke en vertraagde effecten van het verlies van Nederlanderschap door de TOS is in de uitspraak van 11 januari 2022 van de Rb den Haag te vinden. De verzoeker had in theorie haar Nederlanderschap in 1975 verloren, maar kreeg wel in 1998 en 2013 Nederlandse paspoorten en stemde in Nederlandse verkiezingen. Pas in 2014 werd geconcludeerd dat ze in 1975 haar Nederlanderschap had verloren. In zo’n geval is het officiële moment van verlies van nationaliteit 1975, maar dat wordt met terugwerkend effect pas in 2014 vastgesteld, zodat de effecten hiervan op de verzoekster vergelijkbaar zijn met het verlies van Nederlanderschap in 2014. Zo’n situatie roept de vraag op of het Unierecht niet evengoed van toepassing is, want wat is nu het juridische relevante moment? In 2014 bestond het EU-burgerschap immers al wel. De Rb Den Haag stelt in deze uitspraak geen ander mogelijk moment te zien om het verlies op te antedateren dan 1975, waardoor er geen EU- of EVRM-normen van toepassing zijn. De rechtbank verklaart vervolgens in haar uitspraak van 2022 dat de verzoekster sinds 1975 geen Nederlander is.

Conclusie
Het automatische massaverlies van Nederlanderschap in 1975 is geen geïsoleerd moment in de geschiedenis, maar een doorlopend juridisch proces dat een effect blijft hebben op (ex-)Nederlanders en hun kinderen. De Rb Den Haag wordt tot aan vandaag gevraagd om de TOS en de gerelateerde WNI wetswijziging toe te passen om te bepalen of iemand een Nederlander is. De inhoud van de TOS is ingewikkeld en controversieel, en de administratieve toepassing daarvan is in de afgelopen vijftig jaar niet altijd zonder fouten verlopen. Dit, gecombineerd met de complexe banden die vele betrokkenen met Nederland, Suriname en soms ook andere landen hebben, leidt tot ingewikkelde en ingrijpende rechterlijke beslissingen. De juridische en ethische normen die omtrent nationaliteitsrecht, kolonialisme, en evenredigheid ontwikkeld worden, zowel binnen Nederland als op Europees en internationaal niveau, kunnen in de toekomst een effect hebben op de hedendaagse uitvoering van deze vijftigjarige wetgeving.

Met veel dank aan prof. dr. Guno Jones voor zowel de uitvoerige inhoudelijke feedback op de blog, als de vele inzichtelijke discussies die tot het schrijven daarvan hebben geleid.