In Memoriam Sarah van Walsum

376

Sarah van Walsum

18 februari 1955 – 9 november 2014

 

 

Met de inzichtrijke oratie “Intimate strangers” aanvaardde Sarah van Walsum op 7 juni 2012 haar benoeming op de leerstoel “Migratierecht en familiebanden”. Haar veel te vroege overlijden op 9 november heeft het haar onmogelijk gemaakt dat werk af te maken.

In haar oratie liet Sarah zien dat de wereld er geheel anders uitziet als je deze niet bekijkt als geordend door de traditionele opdeling in soevereine staten met gecontroleerde grenzen, maar het huidige wereldwijde netwerk van intieme familierelaties als uitgangspunt neemt voor de samenhang. Zij pleitte voor een constructieve dialoog en intensieve onderhandeling tussen deze twee perspectieven. Zo kon het weliswaar legitieme belang van staten tot het reguleren van migratie worden geconfronteerd met, bijvoorbeeld, de pedagogische noodzaak om kinderen in gezinsverband op te voeden tot harmonische individuen. Het grote onderzoek dat zij in 2010 kon opzetten dankzij een NWO Vici-beurs, heeft ten doel deze ideeën op een aantal deelgebieden uit te werken. Vier onderzoekers – Jill Alpes, Younous Arbaoui, Nadia Ismaili, Johanne Søndergaard – zijn daardoor in de gelegenheid gesteld haar werk uit te bouwen en voort te zetten. Tot het laatst heeft Sarah hen daarbij, ook vanuit haar ziekbed, begeleid.

Grensverleggend was het boek “The Family and the Nation. Dutch Family Migration Policies in the Context of Changing Family Norms” (Cambridge Scholars Publishing, 2008), waarin Sarah de veranderingen in het Nederlandse migratierecht beschrijft aan de hand van de historische ontwikkeling van opvattingen over het gezin in de periode van 1945 tot 2000. Opmerkelijk was haar bevinding dat terwijl de opvattingen over gezinsleven in de nationale sfeer liberaler werden, het gezin in het migratierecht nog altijd zeer traditioneel werd opgevat. De mannelijke kostwinner van het gezin is nog altijd de dominante figuur van de familie in het migratierecht, terwijl dit in de Nederlandse samenleving inmiddels steeds minder op de voorgrond staat. Ook liet Sarah op overtuigende wijze zien dat de manier waarop in de Nederlandse koloniën het contact werd gereguleerd tussen de Nederlandse kolonialen en de inheemse bevolking, belangrijke sporen heeft nagelaten in het huidige migratiebeleid.

Een ander aspect van haar onderzoek naar de verhouding tussen gezin en migratierecht was de positie van thuiszorgers en huishoudelijke dienstverleners, veelal illegaal werkzame immigranten met een uiterst schamele arbeidsrechtelijke positie. “Hier is toch iets merkwaardigs aan de hand”, schreef Sarah hierover in de A&MR in 2011. “De zorg voor huis, kind of bejaarde moeder vertrouwen wij niet toe aan zo maar aan iemand. Daarvoor willen we mensen die verantwoordelijk zijn, consciëntieus, kundig, doortastend en – vooral – betrouwbaar. Maar als samenleving gunnen wij deze werknemers niet de meest basale vormen van bescherming tegen ontslag en verlies van inkomen; in veel gevallen zelfs niet het recht om op eigen naam een bankrekening te openen, een ziektekostenverzekering te sluiten of een woning te huren. De handelingsonbekwaamheid van de Nederlandse huisvrouw tot in de jaren vijftig – maar dan in het kwadraat.”

Sarah kende migratie vanuit verschillende perspectieven. Zij groeide op in een Nederlands gezin in Canada, en studeerde daar sociologie. Die sociologische achtergrond is in veel van haar werk terug te vinden. Toen Sarah het plan opvatte zich met migratie te gaan bezig houden kreeg zij het advies om nader kennis te nemen van het perspectief van de migrant. Zij ging enige tijd les geven op een school in Ghana. Uiteindelijk kwam ze tot de slotsom dat ze zich moest vestigen. Ze koos er voor in Nederland migratierecht te gaan studeren.

Op 24 maart 2000 promoveerde Sarah aan de Erasmus Universiteit Rotterdam op de dissertatie: “De Schaduw van de grens. Het Nederlandse vreemdelingenrecht en de sociale zekerheid van Javaanse Surinamers” (Kluwer, Deventer, 2000). Kort daarna voegde zij zich als universitair docent bij Thomas Spijkerboer die in 2000 als hoogleraar Migratierecht was begonnen aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Daar heeft zij de jonge sectie Migratierecht helpen groeien en tal van activiteiten ondernomen op het gebied van onderwijs en onderzoek. Van 2007 – 2012 was zij promovendi-decaan van de faculteit der Rechtsgeleerdheid.

Kernpublicaties van Sarah van Walsum:

  • 2011: Sex and the Regulation of Belonging. Dutch family migration policies in the context of changing family norms. In: Albert Kraler, Eleonore Kofman, Martin Kohli & Camille Schmoll (eds): Gender, Generations and the Family in International Migration. Amsterdam: Amsterdam University Press.
  • 2011: The (Non)Regulation of Domestic Work in the Netherlands, in: Canadian Journal of Women and the Law, 23 (1), p. 141-165.
  • 2009: ‘Transnational Mothering, National Immigration Policy, and European Law’. In: Seyla Benhabib & Judith Resnik (eds.): Migrations and Mobilities: Gender, Citizenship, Borders. New York: New York University Press.
  • 2008: The Family and the Nation. Dutch Family Migration Policies in the Context of Changing Family Norms. Newcastle Upon Tyne: Cambridge Scholars Publishing.
  • 2007: (Together with Thomas Spijkerboer): Women and Immigration Law. New variations on classical feminist themes. London: Routledge-Cavendish (edited volume)