Ophef verplichte vergunning voor predikers: déjà-vu?

913

Als een religieuze organisatie een spreker over wil laten komen van buiten de Europese Unie, dan moet daarvoor een speciale vergunning worden aangevraagd. Naar aanleiding van een brief  van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, ontstond hierover onlangs enige ophef. Wat zijn de regels omtrent het inhuren van buitenlandse voorgangers door Nederlandse religieuze genootschappen?

Door Tesseltje de Lange*

Buitenlandse imams, dominees en priesters zouden de afgelopen jaren massaal gepreekt hebben zonder werkvergunning, zonder te weten dat dit illegaal zou zijn, zo stelde Trouw onlangs.  De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stuurde hierover een brief aan de religieuze organisaties. Hierin legt de minister uit dat: ‘Als u een spreker uitnodigt om bijvoorbeeld een lezing te houden, dan is dat ook arbeid in de zin van de Wav en wordt u als werkgever beschouwd.’ Genoeg aanleiding om de systematiek van werkvergunningen voor buitenlandse voorgangers onder de loep te nemen.

Wanneer is de vergunningplicht ontstaan en wat betekende deze plicht voor religieuze organisaties?
De vergunningplicht voor buitenlandse voorgangers ontstond in 1995 met de invoering van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De komst van de Wav creëerde een vergunningplicht voor een ieder die een vreemdeling iets voor zich laat doen, al dan niet tegen betaling. Destijds is niet gekozen om de vergunningplicht ook expliciet voor houders van een religieus ambt in te voeren, deze vielen nu eenmaal ook onder de algemene juridische definities. Zodoende werden religieuze organisaties vergunningplichtig voor een prediker, zelfs als die maar voor een enkele preek naar Nederland kwam.

De invoering van de Wav in 1995 betekende echter niet dat van de religieuze organisaties ook daadwerkelijk een vergunning werd verlangd. In 2000 werd bekend dat de lokale vreemdelingendiensten vanaf de invoering van Wav de bij hun bekende religieuze organisaties meestal wel tegemoet kwamen. De tewerkstellingsvergunning werd door vreemdelingendienst bijvoorbeeld niet verlangd of de vergunning werd door de voorlopers van het nu verantwoordelijke UWV zonder veel omhaal verleend. Zo bestond er in de eerste vijf jaar na de invoering bij de Vreemdelingendienst geen bezwaar tegen de overplaatsing van een Filipijnse zuster naar de R.K. Congregatie “dienaressen van de H. Geest van de altijddurende aanbidding”, en ook niet tegen de komst van een monnik naar het Syrisch Orthodoxe klooster op grond van afspraken die in de jaren ‘80 van de vorige eeuw met deze organisatie waren gemaakt. Dit komt uit het rapport ‘Toelating van vreemdelingen voor verblijf bij religieuze organisaties’ van Hendrickx/De Lange uit 2004.

In december 2004 kwam er een tijdelijke regeling specifiek voor de toelating van geestelijke bedienaren (TBV 2004/02). Vervolgens verscheen in 2005 het advies van de Adviescommissie van Vreemdelingenzaken ‘Toelating en verblijf voor religieuze doelen’. Daarin werden als uitgangspunten het grondwettelijke recht op vrijheid van godsdienst, het gelijkheidsbeginsel en de scheiding van kerk en staat genomen, die ook door het kabinet werden onderschreven. Voor een goed functioneren van geloofsgemeenschappen binnen onze samenleving is het van wezenlijk belang, aldus de ACVZ destijds, dat buitenlandse voorgangers worden toegelaten. Het kabinet deelde die visie, maar reageerde met de mededeling dat er wel een controlemechanisme nodig was om misstanden zoals uitbuiting te voorkomen. Zo’n regeling moet een balans vinden tussen het recht op vrijheid van godsdienst en andere met overheidsbeleid te dienen belangen, binnen de in de artikelen 6 van de Grondwet, 9 EVRM en 18 IVBPR gestelde beperkingen.

Welke regeling kwam er uiteindelijk?
Na de tijdelijke regeling werd een definitieve regeling vastgesteld die nog altijd geldt. Deze regeling maakt een onderscheid naar voorgangers (Regeling uitvoering Wav, Bijlage I par. 20), kloosterlingen en zendelingen (par. 21 van dezelfde regeling). Voor kloosterlingen en zendelingen geldt een versoepelde toelatingsregeling mits in ieder geval de gelofte van armoede is voorgeschreven of de religieuze organisatie er garant voor staat dat de vreemdeling geen beroep doet op de bijstand. Voor voorgangers geldt dat anders dan bij andere buitenlandse ‘werknemers’ een religieuze organisatie de ‘vacature’ niet hoeft te melden en niet hoeft aan te tonen dat er geen sprake is van verdringing op de arbeidsmarkt. Wel wordt beoordeeld of het om een gekwalificeerde voorganger gaat, iemand met kennis of ervaring waaruit volgt dat diens ‘arbeid’ van wezenlijk belang is voor de eredienst of het functioneren van de religieuze of levensbeschouwelijke organisatie. Dat moet de ontvangende organisatie, ook als het maar om een preek gaat, aantonen. Lastiger is waarschijnlijk echter de eis dat de voorganger het minimumloon moet verdienen, een eis die onlangs nog is aangescherpt zodat ook voor een optreden van een dag het minimumloon over een periode van een maand moet worden verdiend (art. 8, eerste lid sub f Wav) om in aanmerking te komen voor een tewerkstellingsvergunning. Tot slot is het nog relevant te melden dat het UWV een wettelijke beslistermijn heeft van vijf weken.

Indien de buitenlandse voorganger langer dan drie maanden in Nederland wil verblijven, heeft hij of zij behalve een tewerkstellingsvergunning eventueel een machtiging van voorlopig verblijf (mvv) nodig en een verblijfsvergunning. Hij of zij kan een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) aanvragen bij de IND en het UWV adviseert over de verlening daarvan op dezelfde voorwaarden als de afgifte van een tewerkstellingsvergunning. De religieuze organisatie moet zich wel als referent laten erkennen (art. 1.10 Vv); in hoeverre dat problematisch is in de praktijk, is onduidelijk.

Dit alles geldt overigens niet voor Turkse voorgangers. Op grond van de standstill-bepaling die voortvloeit uit het Associatieverdrag tussen de EG en Turkije uit 1960, blijven Turkse voorgangers vrijgesteld van de tewerkstellingsvergunning (art. 24 Wet arbeid vreemdelingen).

Wat als er zonder tewerkstellingsvergunning wordt gepreekt?
Zonder tewerkstellingsvergunning of gvva toch een buitenlandse voorganger laten preken is een vorm van illegale tewerkstelling. Dat is een overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen waar een boete van €8.000,- op staat (beleidsregels boete Wav). Stichting Polderdawah Centrum kondigde aan via Facebook (zie ook www.hollandistan.nl) een proefproces te zullen uitlokken door een voorganger illegaal tewerk te stellen. Zo kan inderdaad een rechtelijke uitspraak worden verkregen over de vraag of de vergunningplicht al dan niet een geoorloofde beperking is van het recht op vrijheid van godsdienst. Wellicht zou het UWV met een lichter middel, zoals een meldingsplicht in de zin van artikel 2a Wav kunnen volstaan.

Het proefproces moet volgens de stichting ook gaan over de wettelijke beslistermijnen van vijf weken waar de organisaties daags voor de ramadan mee werden geconfronteerd. Ze vermoeden dat de Minister van SZW hen expres zo laat heeft geïnformeerd dat de aanvragen pas na de ramadan worden beslist, zodat daardoor de godsdienstvrijheid in feite wordt beperkt. Het UWV beslist overigens vaak sneller dan binnen vijf weken en gelet op de belangen zou het sympathiek zijn als ze dat nu ook doen.

Het is overigens opvallend dat de religieuze organisaties niet wisten van de vergunningplicht. In 2005 waren zij nauw betrokken bij de totstandkoming van de voor hen ontworpen speciale regeling voor de komst naar Nederland van voorgangers, kloosterlingen en zendelingen. Als het proefproces er komt, zal de rechter zich moeten buigen over de vraag of deze vergunningplicht de godsdienstvrijheid inderdaad beperkt en zo ja, in hoeverre het argument dat uitbuiting van de voorgangers moet worden voorkomen een geoorloofd belang tot inperking is.

* onderzoeker/docent economische migratie bij de Universiteit van Amsterdam en Tilburg Law School. Heeft u vragen over economische migratie naar Nederland of de EU, succes stories of schrijnende voorbeelden, neem gerust contact op: t.delange@uva.nl