Vestigingsregeling voor Caribische Nederlanders verworpen door Tweede Kamer

859

Op 28 september jl. verwierp de Tweede Kamer een wetsvoorstel van VVD-Kamerlid Bosman, om de immigratie vanuit Aruba, Curaçao en Sint Maarten te beperken. Wat stond er in het wetsvoorstel en waarom werd het niet aangenomen?

door Fee Spoek en Karin de Vries

Regulering van migratie binnen het Koninkrijk
Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat sinds 2010 uit vier landen: Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Nederland. De verhoudingen tussen deze landen zijn juridisch vastgelegd in het Statuut voor het Koninkrijk. Volgens het Statuut hebben de staatsburgers van de vier landen dezelfde, Nederlandse, nationaliteit. Elk land mag echter voorwaarden stellen aan de vestiging van Nederlanders uit de andere landen. Aruba, Curaçao en Sint Maarten kennen toelatingsregelingen voor Europese Nederlanders, maar omgekeerd hoeven Caribische Nederlanders die zich in Nederland willen vestigen niet aan toelatingseisen te voldoen. Bij de herziening van de Nederlandse Grondwet in 1983 werd de mogelijkheid van een toelatingsregeling voor Nederland niet uitgesloten, maar werd wel uitgesproken dat de ruimte voor zo een regeling beperkt was. De Nederlandse regering heeft sindsdien verschillende initiatieven genomen om de immigratie van Caribische Nederlanders te reguleren, maar geen daarvan is doorgezet.

Het wetsvoorstel Bosman moest hierin verandering brengen en de vestiging van kansarme Nederlanders uit Aruba, Curaçao en Sint Maarten zoveel mogelijk aan banden leggen. Volgens de auteurs van het wetsvoorstel zijn veel Caribische Nederlanders in Nederland kansarm, in de zin dat zij vaak in aanraking komen met criminaliteit en dat hun positie wordt gekenmerkt door relatief hoge werkloosheid en afhankelijkheid van uitkeringen. In de toelichting bij het voorstel wees Bosman ook op de vestigingseisen die gelden voor Europese Nederlanders die zich op één van de eilanden willen vestigen. Als zij dat mogen, dan mag Nederland dat ook, aldus Bosman.

Wat staat er in het wetsvoorstel?
Op 3 juli 2012 stuurde het VVD-Kamerlid Bosman een voorstel naar de Tweede Kamer voor een Wet regulering vestiging van Nederlanders van Aruba, Curaçao en Sint Maarten in Nederland. Met deze wet wilde Bosman eisen stellen aan Nederlanders van deze eilanden die zich in Nederland komen vestigen, om te voorkomen dat zij hier in een achtergestelde positie belanden en een belasting voor de Nederlandse samenleving vormen. Op 28 september stemde een meerderheid van de leden van de Tweede Kamer tegen het wetsvoorstel, waardoor het is verworpen.

In het wetsvoorstel werden eisen gesteld aan Caribische Nederlanders die zich voor langer dan 6 maanden in Nederland wilden vestigen. Zij zouden voldoende Nederlands moeten spreken, werknemer, student of zelfstandige zijn, voldoende middelen van bestaan hebben, in eigen levensonderhoud kunnen voorzien, of familielid zijn van iemand die aan bovenstaande zou voldoen. Verder zou de aanvraag worden afgewezen als de migrant in aanraking is geweest met justitie, een gevaar is voor de openbare orde of zich niet heeft uitgeschreven bij het bevolkingsregister van het desbetreffende eiland. Migranten die aan de eisen voldoen zouden volgens het wetsvoorstel voor 5 jaar worden toegelaten.

Volgens het wetsvoorstel zouden Caribische Nederlanders die niet aan de hiervoor genoemde voorwaarden voor verblijf voldoen zich niet meer kunnen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie. Tussentijdse intrekking van het verblijfsrecht zou mogelijk zijn als de betrokkene niet langer aan de voorwaarden voldoet. Caribische Nederlanders die langer dan 6 maanden in Nederland verblijven zonder verblijfsrecht zouden het land binnen 4 weken moeten verlaten. Wie dat niet doet kan worden teruggeleid en met het oog op de terug geleiding ook in bewaring worden gesteld.

Waarom is het wetsvoorstel niet aangenomen?
Op het wetsvoorstel is veel kritiek gekomen, onder meer van de Raad van State. Eén van de voornaamste bezwaren van de Raad van State was dat het voorstel in strijd was met het discriminatieverbod. In het voorstel werd onderscheid gemaakt tussen verschillende groepen Nederlanders op grond van hun nationale afstamming. De vestigingseisen zouden immers alleen gaan gelden voor Nederlanders die het Nederlanderschap hebben verkregen in één van de overzeese landen van het Koninkrijk: Aruba, Curaçao of Sint Maarten. Een dergelijk, op afstamming gebaseerd, onderscheid valt onder de discriminatieverboden die zijn neergelegd in internationale mensenrechtenverdragen en in artikel 1 van de Nederlandse Grondwet en kan heel moeilijk worden gerechtvaardigd. Onderscheid naar nationale afstamming valt bovendien, aldus de Raad van State, onder de definitie van rassendiscriminatie uit het Internationale verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (IVUR). Als ervan wordt uitgegaan dat het voorstel onderscheid maakt op grond van ras of etniciteit is een rechtvaardiging nog verder te zoeken.

De Raad van State was het met de initiatiefnemers eens dat de positie van Caribische jongeren in Nederland over het algemeen niet rooskleurig is, maar was er niet van overtuigd dat de voorgestelde vestigingseisen hiervoor een oplossing zouden bieden. Een regeling die de vestiging van alle Nederlanders uit Aruba, Curaçao of Sint Maarten zou beperken zou volgens de Raad van State veel te ruim zijn en niet specifiek gericht op de problemen die de initiatiefnemers wilden aanpakken. Ook de mogelijkheid om de doelgroep te beperken tot Caribische Nederlanders met een strafblad of zonder startkwalificatie werd door de Raad van State van de hand gewezen, omdat niet is aangetoond dat juist deze groepen in Nederland voor problemen zorgen. Als voorbeeld noemt de Raad dat ook personen met een startkwalificatie soms een beroep doen op de bijstand. Hoewel in het algemeen kan worden aangenomen dat mensen met een startkwalificatie makkelijker werk vinden, zijn dergelijke algemene aannames niet voldoende om een onderscheid naar afstamming te rechtvaardigen. De verschillen tussen de landen van het Koninkrijk brengen ten slotte mee dat het bestaan van toelatingsregelingen in de overzeese landen niet automatisch betekent dat zo een regeling ook voor Nederland gerechtvaardigd is. Zo zijn de overzeese landen door hun veel kleinere inwonersaantallen (Aruba +/- 112.000; Curaçao +/- 150.000; Sint Maarten +/- 40.000) gevoeliger voor de effecten van immigratie dan Nederland.

Behalve de Raad van State waren ook het College voor de Rechten van de Mens en de Commissie Meijers van oordeel dat het wetsvoorstel in strijd was met het discriminatieverbod. Beide organisaties vreesden onder meer dat het wetsvoorstel tot stigmatisering van Caribische Nederlanders zou leiden. Bovendien oordeelde het Europese Hof voor de Rechten van de Mens eerder dit jaar in een arrest tegen Denemarken dat staatsburgers van verschillende afkomst niet verschillend mogen worden behandeld (zie hierover ons eerdere blog).

De Raad van State merkte verder nog op dat het wetsvoorstel beoogde om de vestiging van Caribische Nederlanders eenzijdig te regelen, terwijl de problemen waar het voorstel zich op richt effectiever opgelost kunnen worden in samenwerking met de andere landen in het Koninkrijk. Een door Nederland in het leven te roepen eenzijdige vestigingsregeling zou er bovendien aan bijdragen dat de regelgeving binnen het Koninkrijk nog complexer wordt. Als er al vestigingseisen worden gesteld zou dat volgens de Raad van State beter kunnen gebeuren in een Rijkswet, die door de landen gezamenlijk wordt gemaakt.

Hoe oordeelde de Tweede Kamer?
Tijdens het debat in de Tweede Kamer bleek de hiervoor genoemde kritiek op het wetsvoorstel door een meerderheid van de Kamerleden te worden gedeeld. Bij de stemming kreeg het voorstel steun van de VVD, de PVV, de SGP, de Groep Bontes/Van Klaveren en de eenmansfractie Van Vliet, samen goed voor 58 van de 150 zetels in de Tweede Kamer. De overige fracties stemden tegen met als gevolg dat het wetsvoorstel van tafel is.