De rol van religieuze tatoeages in asielaanvragen van bekeerlingen

294

Op 31 mei 2018 deed de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State twee belangrijke uitspraken over bekeringen in asielzaken. Kan van een vreemdeling worden gevraagd zijn christelijke tatoeages vóór terugkeer te verwijderen of aan te passen om een risico op vervolging in het land van herkomst te voorkomen?

Door Marie-Christine Alting von Geusau

Bedekking van religieuze tatoeages
De twee uitspraken van 31 mei 2018 gaan over een Iraniër en een Irakees, wier bekeringen tot het christelijk geloof niet geloofwaardig werden gevonden, waardoor ze op die grond geen aanspraak konden maken op een asielvergunning. Nadat hun aanvraag was afgewezen voerden ze aan een religieuze tatoeage op hun lichaam te hebben. Bij de ene was een christelijk kruis in de hals getatoeëerd en bij de ander een kruis op de hand. In beide zaken spreekt de Afdeling zich uit over de vraag of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging in land van herkomst heeft. Daarbij toetst de Afdeling of het gestelde risico voorkomen kan worden, door bijvoorbeeld bedekking van de tatoeage.

Eerder kwam de Afdeling in een uitspraak van 24 April 2015 tot de conclusie dat van een vreemdeling wiens bekering niet geloofwaardig wordt bevonden, verwacht mag worden uitingen op internet te verwijderen om zo een risico op vervolging bij terugkeer te voorkomen. De gedachtegang van de Afdeling is als volgt: als de bekering ongeloofwaardig is, dan zijn uitingen op Facebook geen geloofsuitingen en is er dus geen sprake van inmenging in vrijheid van geloof.

Hieruit volgt volgens de Afdeling dat bij een ongeloofwaardige bekering in beginsel van de vreemdeling ‘kan worden gevergd dat hij op zijn lichaam geplaatste christelijke tatoeage bedekt en bedekt houdt’, omdat er geen sprake is van inmenging in vrijheid van geloof. De Afdeling toetst de aannemelijkheid dat de vreemdeling de tatoeage kan bedekken, waarbij mede gelet wordt op de grootte en locatie van de tatoeage. Deze toets lijkt overeen te komen met een Engelse zaak van 8 April 2016 van het Upper Tier Tribunal, waarbij de rechter het aannemelijk achtte dat een Iraanse asielzoeker zijn tatoeage van een kruis kon bedekken, omdat deze op zijn borst was geplaatst.

In de uitspraken van 31 mei 2018, kwam de Afdeling tot de conclusie dat, in tegenstelling tot een tatoeage op de borst, bij tatoeages in de nek of op handen het niet aannemelijk is dat deze onder alle omstandigheden bedekt kunnen worden. Ook weerlegt de Afdeling het standpunt van de staatssecretaris dat de tatoeages gemaskeerd kunnen worden met make-up. Hieruit volgt dat alleen verwijdering of aanpassing van de tatoeage uitkomst biedt, waardoor het recht op lichamelijke integriteit in het gedrang lijkt te komen. De essentie van het in artikel 11 Grondwet, artikel 8 EVRM en artikel 3 en 7 Handvest grondrechten EU vervatte recht op lichamelijke integriteit is dat een persoon zelf bepaalt wat er met zijn/haar lichaam gebeurt. Betekent dit dat verwijdering of aanpassing van een religieuze tatoeage inbeuk maakt op dit grondrecht? Zo ja, hoe kan deze inmenging worden gerechtvaardigd?

Verwijdering/aanpassing van religieuze tatoeages
In de bekeringszaken van 31 mei 2018 werd door de staatssecretaris betoogd dat het aanpassen of verwijderen van de tatoeage niet leidt tot een ongeoorloofde inbreuk op het grondrecht op lichamelijke integriteit. Daartoe wees de staatssecretaris erop dat de vreemdeling zichzelf een religieuze tatoeage heeft toegebracht. Van de asielzoeker mag dus worden verwacht dat hij de op zijn lichaam aangebrachte tatoeages verwijdert of aanpast.

De staatssecretaris verwijst in zijn betoog opnieuw naar de Engelse zaak van 8 April 2016, waar het Upper Tier Tribunal oordeelde dat verhulling, dan wel verwijdering of aanpassing van een tatoeage geen inbreuk maakt op vrijheid van meningsuiting of lichamelijke integriteit. Volgens het Tribunal weerspiegelt de tatoeage noch een religieuze overtuiging, noch een uiting van een persoonlijke mening en moet de verkrijging van de tatoeage bestempeld worden als “an entirely self-serving action to bolster a false asylum claim”.

Volgens de Afdeling mist het betoog van de staatssecretaris echter een goede motivering en biedt de Engelse zaak geen steun voor zijn standpunt. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de staatssecretaris dient zijn standpunten nader te motiveren. In die motivering moet aandacht worden besteed aan de verhouding tussen lichamelijke integriteit en de door de staatssecretaris verlangde verwijdering of aanpassing van de tatoeages, zo bepaalt de Afdeling. Daarbij moet de staatssecretaris rekening houden met het Hivatal arrest van het Europese Hof van Justitie. In deze zaak ging het om inmenging in het recht op privéleven, omdat toestemming voor psychologisch onderzoek om seksuele geaardheid van de asielzoeker te achterhalen feitelijk werd afgedwongen, gezien de omstandigheden van het geval.

Sur place en absoluut karakter artikel 3 EVRM
Ook draagt de Afdeling de Staatssecretaris op aandacht te besteden aan de vraag of de plaatsing van de tatoeage er enkel op gericht was een verblijfsvergunning af te dwingen. Zij verwijst daarbij naar Artikel 5 lid 3 Kwalificatierichtlijn 2011/95 en de Afdelingsuitspraak van 11 februari 2016 die deze bepaling verder toelicht. Het aanbrengen van religieuze tatoeages is een zogenaamde sur place activiteit: de door de vreemdeling aangebrachte tatoeage roept de vrees voor vervolging in het leven. Deze ontstaat zodoende pas nadat de vreemdeling het land van herkomst heeft verlaten. De kwestie van sur place speelt onder meer bij vreemdelingen die zich in het gastland bekeren, of met vreemdelingen die dan pas openlijk uitkomen voor hun seksuele geaardheid.

Artikel 5 lid 3 Kwalificatierichtlijn 2011/95 bepaalt dat “de lidstaten kunnen vaststellen dat een verzoeker die een herhaalde aanvraag indient, normaliter niet de vluchtelingenstatus wordt verleend indien het risico van vervolging gegrond is op omstandigheden die de verzoeker zelf heeft veroorzaakt nadat hij het land van herkomst heeft verlaten”. Uit de Afdelingsuitspraak van 11 februari 2016 volgt dat ‘de wetgever niet heeft voorzien in de mogelijkheid een asielzoeker een verblijfsvergunning te onthouden, omdat hij in het land waarin hij om bescherming vraagt zelf doelbewust de negatieve aandacht van de autoriteiten van het land van herkomst op zich vestigt’. In deze zaak hadden de vreemdeling en zijn gemachtigde een brief gestuurd aan de Iraanse ambassade, waarin ze bekendmaakten dat de asielzoeker bekeerd was. Hierdoor werd de negatieve aandacht van de autoriteiten opgewekt. Omdat artikel 5 lid 3 Kwalificatierichtlijn niet is geïmplementeerd in de Nederlandse rechtsorde, heeft de Afdeling zich onbevoegd verklaard te beoordelen of het handelen met oogmerk negatieve aandacht uit te lokken bij de actor van vervolging opgevat kan worden als misbruik van recht.

De reden dat de Afdeling deze zaak aanhaalt is vanwege het belang van artikel 5 lid 3 bij de beoordeling of een inmenging in lichamelijke integriteit gerechtvaardigd is.
De situatie dat de vreemdeling de tatoeage heeft geplaatst om een verblijfsvergunning af te dringen, zonder zelf gelovig te zijn sluit niet uit dat de autoriteiten van het land van herkomst deze tatoeage kunnen aannemen als bewijs van zijn bekering en hem dus zullen vervolgen. De vraag is nu of dat een overweging is die niet zou mogen meewegen nu het om bedrog gaat. Dat is waar de staatssecretaris iet over moet zeggen volgens de Afdeling.

Bij de analyse van sur place activiteiten zal altijd rekening moeten worden gehouden met het absolute karakter van artikel 3 EVRM. Dit houdt in dat Artikel 3 geen beperkingsmogelijkheden kent, zodat de lidstaten onder geen beding mogen afwijken van het folterverbod. Het reëel risico moet los dus worden gezien van de eerlijkheid van de surplace activiteiten.

Conclusie
Het blijft nog onduidelijk hoe het grondrecht op lichamelijke integriteit zich precies verhoudt tot het verlangen van de staatssecretaris de tatoeages te verwijderen of aan te passen. We zullen dus moeten afwachten op nadere motivering in de besluiten van de staatssecretaris. Als hij de asielverzoeker opnieuw afwijst, kan de rechter zich verder over deze kwestie uitspreken.